(NOV) en de werkgroep «Een nieuwe school» het Pedagogisch Centrum van de NOV (PCNOV). Dit centrum richtte zich op het lager onderwijs, maar niet uitsluitend. Er waren bij voorbeeld ook relaties met de Kweekschool-bond. In 1961 werd het PCNOV verbreed tot de Stichting Algemeen Pedagogisch Centrum (APC). In 1958 werd ten behoeve van het gymnasiaal en middelbaar onderwijs het Onderwijskundig Studiecentrum (OSC) opgericht. In 1967 werd het Pedagogisch Centrum voor het Algemeen Beroepsonderwijs opgericht (PCAB). Ten einde de basis nog verder te verbreden en om ook het Rijk in het bestuur te laten participeren als bevoegd gezag van de rijksscholen, werden aan het eind van de jaren zestig opnieuw besprekingen geopend die in november 1974 leidden tot de oprichting van het Algemeen Pedagogisch Studiecentrum (APS) bestaande uit het APC, OSC en PCAB. Op 25 november 1974 werd in de Nederlandse Staatscourant de gemeenschappelijke regeling van het APS gepubliceerd. Uit de moderniseringscommissie van het Katholiek Onderwijzersverbond (KOV) ontstond in 1949 het Katholiek Pedagogisch Bureau voor het lager onderwijs. Hierbij voegden zich al spoedig het kleuteronderwijs, de kleuterleidstersopleidingen en de kweekscholen. Er kwamen ook werkgroe-pen en bureaus tot stand voor het nijverheidsonderwijs, het v.h.m.o. en het land-en tuinbouwonderwijs. In 1957 werd het Katholiek Pedagogisch Centrum opgericht dat ten doel had een orgaan van samenwerking te zijn voor de afzonderlijke katholieke pedagogische bureaus, met erkenning en handhaving van de zelfstandigheid van deze bureaus. In 1963 werd een commissie ingesteld welke in 1964 een rapport publiceerde: «Discussienota Structuur KPC». Op 14 mei 1968 vindt de constituerende vergadering plaats van het gefuseerde KPC.

Het kenmerk van de drie centra is dat zij zijn voortgekomen uit de besturen-en onderwijsvakorganisaties en dat ze op godsdienstige of levensbeschouwelijke grondslag gebaseerd zijn. Hun werkzaamheden richtten zich in het verleden op het geven van cursussen, introductie van nieuwe pedagogisch-didactische inzichten, begeleiding in de praktijk en het begeleiden van experimenten (bij voorbeeld ten behoeve van de invoering van de Wet op het voortgezet onderwijs), conferenties voor schoolleiding en later ook ondersteuning van de schoolbegeleidingsdiensten. Daarvoor werd ondermeer het «(Experiment) Regionaal Schoolpedagogisch Centrum Zeeland» opgericht. Het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen heeft actief meegewerkt aan de totstandkoming van de gefuseerde drie Landelijke Pedagogische Centra. Op 25 augustus 1966 publiceerde de toenmalige staatssecretaris van onderwijs en wetenschappen Grosheide de «Rijksregeling Subsidiëring Pedagogische Centra» waarin ondermeer de taakstelling, de aanvang, wijze en beëindiging van de bekostiging wordt geregeld. In 1971 werd de reeds bestaande samenwerking tussen de Landelijke Pedagogische Centra geformaliseerd met de oprichting van de Vereniging de Samenwerkende Landelijke Pedagogische Centra (VSLPC). Door de opkomst van de SBD's veranderden de positie en taakstelling van de LPC's. Met name voor het kleuter-en lager onderwijs werd hun directe begeleidende taak overgenomen door de SBD's. De centra deden in juni 1972 in hun eerste driejarenplan een voorstel voor een nieuwe taakstelling. In de nota «Naar een structuur voor de ontwikkeling en vernieuwing van het primair en secundair onderwijs» van de toenmalige minister Van Kemenade en in de discussienota «Schoolbegeleiding» worden respectievelijk de functie en nieuwe taakstelling zijdens het departement geformuleerd. In 1979 werd met de LPC's overeenstemming bereikt over de huidige taakstelling. De personeelssterkte van de LPC's is in de periode 1970-1983 aanzienlijk groter geworden, mede in verband met de ondersteuning van een groot aantal experimenten op het terrein van het basisonderwijs, l.b.o., m.a.v.o., Middenschool, m.e.a.o./m.m.o./m.h.n.o./m.s.p.o., opleidingsinstituten van onderwijsgevenden en experimenten Middenschool. In 1971 bedroeg de personeelssterkte bij de drie centra 70 personen; in 1975: 225 personen; in 1980: 370 personen en in 1983: 520 personen.

Tweede Kamer, vergaderjaar 1984-1985, 18770, nrs. 1-3

48