Burkens eenduidige en significante correlaties aan het licht gebracht tussen pornografieconsumptie en seksuele wandaden, anders dan dat een veelheid van factoren, waaronder de consumptie van pornografie, met seksueel schadelijk gedrag in verband kan staan. In dit licht is voor de wetgever behoedzaamheid geboden. De wetgever dient zich voor ogen te houden dat men zich hier op het terrein van de vrijheid van menings-uiting beweegt. Wezenlijk voor deze vrijheid is nu juist dat de overheid zich van een inhoudelijk oordeel onthoudt. Een derde aspect betreft de verhouding van pornografie tot de produktie ervan. De moeilijkheid is hier dat pornografie fictie is. Porno-grafie beoogt stimulerend of lusten-opwekkend te zijn op grondslag van een bepaalde weergave. Deze weer-gave behoeft geen enkel verband te houden met de realiteit van hetgeen wordt weergegeven. Zij zal zulks in het algemeen ook niet doen. De consument van pornografie verzinkt in een fictieve wereld en het is hem om deze fictieve wereld te doen. Hij zal er zich in het algemeen ook wel bewust van zijn dat het hier slechts een fictie betreft. Men kan dan ook zelfs uit gewelddadige pornografie niet de conclusie trekken dat bii de produktie gewelddadigheden hebben plaatsgevonden. Veeleer is het tegendeel waarschijnlijk het geval. Een uitzondering vormt pornografie waarbij kinderen zijn betrokken. Produktie met inschakeling van kinderen is als zodanig uiterst laakbaar. Ik kom hierop nog nader terug, want ook de afbeelding van kinderpornografie kan eventueel slechts schijn zijn. Een laatste aspect betreft het discriminatoire karakter van porno-grafie: pornografie vertoont vrouwen in vernederende situaties. Ik heb begrip voor deze bedenking, zij het onder aantekening dat deze uitbeel-ding niet per definitie vrouwen behoeft te betreffen. De vraag is echter of de fictie van de uitbeelding in de termen valt van een discrimina-toire bejegening. In concreto wordt noch door de uitbeelding, noch door de consumptie iemand rechtstreeks bejegend, behoudens de vermoedelijk vrijwillig optredende participanten in de act. Men komt dan ook terecht op het terrein waarop voor wat betreft onder meer rassendiscriminatie de moeilijk

toepasbare artikelen 137c e.v. van het Wetboek van Strafrecht het spoor aangeven. Die zijn moeilijk toepasbaar, omdat al gauw de vrijheid van meningsuiting in gevaar komt. Een uitbreiding van het werkingsgebied van deze artikelen is weinig aantrekkelijk. Tegen deze geschakeerde, of laat ik zeggen diffuse achtergrond kan van de wetgever niets anders dan grote terughoudendheid worden verwacht. Terughoudendheid is nodig, omdat mede de vrijheid van meningsuiting in het geding is en omdat wetgeving nauwkeurig afgestemd moet zijn op de euvels welke men wil keren. De wetgever moet er zich voor hoeden als zedemeester op te treden. Terughoudendheid is met name in de jurisprudentie betracht. Het wetsvoorstel zal mede tegen de achtergrond van deze jurisprudentie begrepen moeten worden. Op 17 november 1970 wees de Hoge Raad het zogenaamde Chick-arrest. Gecasseerd werd een arrest van het Hof Amsterdam, waarbij met betrekking tot het pornografisch karakter van het blad Chick beslissen-de betekenis werd toegekend aan de gevoelens van 'zeer velen, een aanmerkelijk deel van de Nederlandse bevolking' en van 'vele anderen die de even bedoelde gevoelens derzul-ken geƫerbiedigd wensen te zien'. De Hoge Raad was van oordeel, dat hiermee de grondslag van de telastelegging werd verlaten. De grondslag van de telastelegging vormde artikel. 240 Wetboek van Strafrecht, met name voor wat betreft de daarin gebezigde term 'aanstotelijk voor de eerbaarheid'. De Hoge Raad overwoog, dat in dit artikel met 'eerbaarheid' wordt bedoeld de eerbaarheid als algemeen begrip, 'zoals dat moet worden opgevat naar de hier te lande heersende zeden, welke worden bepaald door de bij een belangrijke meerderheid van het Nederlandse volk op dit punt levende opvattingen'. (NJ 1971,373). Door deze interpretatie van de Hoge Raad is reeds sedert 1 5 jaar de toepassing van artikel 240 Wetboek van Strafrecht bijzonder ingeperkt. In een noot in de Nederlandse Jurispru-dentie uit 1971 merkte Bronkhorst op, dat de Hoge Raad in het Chick-arrest het bewijs van het aanstotelijk zijn voor de eerbaarheid van een geschrift of afbeelding welhaast tot een probatio diabolica schijnt te hebben gemaakt. (NJ 1971, 374).

Nog sterkerwerden detoepassings-mogelijkheden van artikel 240 Wetboek van Strafrecht ingeperkt door het Deep Throat-arrest van de Hoge Raad van 28 november 1978. Daarin werd met betrekking tot een filmvertoning uitgemaakt, 'dat van aanstotelijkheid voor de eerbaarheid in de zin van artikel 240 ten opzichte van de toeschouwers van een filmvertoning bezwaarlijk kan worden gesproken en het voor strafbaarheid op de voet van dat artikel noodzake-lijke bestanddeel van aanstotelijkheid derhalve niet aanwezig is in een geval waarin de vertoning uitsluitend toegankelijk is voor personen van achttien jaar en ouder wie, alvorens de betrokken bioscoop te betreden, op ondubbelzinnige wijze is gewezen op het voor wat de eerbaarheid betreft bijzondere karakter van de te vertonen films, immers ten aanzien van die personen mag worden aangenomen dat zij het aanschouwen van de betrokken films, in weerwil van bedoeld karakter, juist hebben gewild en derhalve aan de inhoud dier film geen aanstoot zullen nemen'. (NJ 1979, 93). In dit licht bleef weinig van artikel 240 Wetboek van strafrecht over. Betrof het specifieke situaties met een bewust daarop afgekomen publiek dan was toepassing Ć¼berhaupt uitgesloten. Betrof het een onver-hoedse confrontatie dan moest worden voldaan aan de probatio diabolica van het Chick-arrest. In het thans aan de orde zijnde wetsvoorstel is uit deze jurisprudentie de consequentie getrokken. Artikel 240-nieuw is toegespitst op de sfeer van de onverhoedse confrontatie waarmee de intentie van het Deep Throat-arrest wordt gevolgd. Gehandhaafd is de klassieke omschrij-ving 'aanstotelijk voor de eerbaar-heid'. Dat wil zeggen dat de lijn van het Chick-arrest kan worden doorge-zet, zij het dat uit de afzonderlijke strafbaarstelling van kinderpornogra-fie consequenties kunnen worden getrokken. Voorts kunnen uiteraard de bij een belangrijke meerderheid van het Nederlandse volk levende zedelijk-heidsopvattingen zich mettertijd wijzigen, eventueel ook in de richting van grotere gestrengheid. Hoe ook deze opvattingen zich mogen wijzigen, schrifturen zonder afbeeldin-gen zijn aan het pornografieverbod onttrokken. Dat lijkt mij een verbete-ring omdat hierdoor de pas wordt afgesneden aan een discussie over de grens tussen pornografie en

Eerste Kamer 2 juli 1985

Pornografie

1433