Van Hulst tratie van de situatie, dan een pakket van gerichte maatregelen. De voorgestelde maatregelen zijn naar mijn opvatting te veel in algeme-ne termen gesteld, zoals: het huidige arbeidsmarktbeleid moet worden geïntensiveerd; het kabinet komt tot een heroverweging van het begrip passende arbeid. En nogal optimis-tisch merkt de Regering dan op, dat haar maatregelen, gericht op een ver-betering van de arbeidsmarkt, een on-misbare bijdrage leveren aan de be-strijding van de werkloosheid. Ook de discussienota van het CNV over het ar-beidsvoorwaardenbeleid '79 onder-kent mijns inziens onvoldoende de ernst van de problematiek die ik hier aan de orde zal stellen. In het veelszins uitstekende geschrift van het CDA. 'Gespreide Verantwoordelijkheid' vindt de Regering misschien toch eni-ge indicaties, waarmee zij haar voor-deel kan doen. Ik wil thans beginnen met enkele praktijkvoorbeelden. In dit voorjaar sprak ik op een politieke vergadering in één der grote centra van onze indus-trie. Vanzelfsprekend gaf ik een analy-se van de werkloosheid. Na de pauze was er de gebruikelijke vragenstellerij. Er bleken twee directeuren van grote bedrijven in de zaal te zijn. Een van hen gaf mij een compliment voor mijn analyse van het werkloosheidsvraag-stuk, maar hij had wel een klein be-. zwaar: van mijn hele betoog klopte in de praktijk, geen woord. 'Geeft u mij', zo riep hij uit, 'vanavond nog honderd arbeiders die enigermate geschoold zijn, dan heb ik morgen werk voor hen'. Als spreker sta je dan volstrekt voor joker, temeer omdat het hier niet over een incident gaat, maar over een symptoom. Alle studies van hele, hal-ve en kwart economen over de theore-tische vraag, of bedrijfswinsten ook nieuwe arbeidsplaatsen creëren, bre-ken eenvoudig kapot op de keiharde praktijk van de onvervulde arbeids-plaatsen. Daarmee dreigen ook de studies over vervroegde pensionering zinloos te worden, indien er niet eerst scherpe maatregelen worden getrof-fen, dat de openvallende plaatsen in-derdaad door werklozen worden inge-nomen. We hebben nu al enige praktijk-ervaring met de bouw. Nog niet de helft van de arbeids-plaatsen in de bouw, die werden ver-laten door vervroegd gepensioneer-de bouwvakkers, is weer bezet door een andere bouwvakker. Dit blijkt uit een onderzoek door het Ministerie van Sociale Zaken naar het experiment met vervroegde uittreding in de bouw. Hun arbeidsplaatsen werden voor slechts 46 procent weer bezet. Is deze situatie wellicht mede te verklaren, omdat er volgens de controleurs van het Sociaal Fonds Bouwnijverheid maffia-achtige toestanden in de bouw plaatsvinden? De controleurs worden bedreigd, zelfs met wapens. Volgens directeur drs. P. J. van Leer-sum van het Sociaal Fonds is al over de afgelopen tweeënhalf jaar gecon-stateerd dat bij een tiental koppelba-zen voor een bedrag van f 40 miljoen aan sociale premies en loonbelasting is ontdoken. Deze gegevens zijn door het SFB bekendgemaakt bij de presen-tatie van het jaarverslag over 1977. Een ander misdadig verschijnsel, waarmee het fonds veelvuldig gecon-fronteerd wordt, is het drukken en in omloop brengen van vervalste vakan-tiezegels. Verleden week is er nog voor f 1 min. aan vakantiezegels gestolen. Voe-gen wij hier nog aan toe dat het aantal ziektemeldingen in de bouw steeds toeneemt. De zaak van de betonfabriek in Ede, kwam zelfs voor de televisie en kreeg veel aandacht. Ik wil er niet te diep op ingaan, want de Regering en het volk weten er van. Op het ogenblik hoort men dat de werknemers wel kwamen toen het voor de televisie was geweest en het algemeen bekend was. Ik heb het nagegaan, maar het blijkt dat er toen werkenden hebben gesolli-citeerd, met het oog op positieverbete-ring. Mijnheer de Voorzitter! Ik ben in staat de gegeven voorbeelden met ve-le te vermeerderen, ook uit Amster-dam. Ik wil nu nog slechts aantonen, hoe generaal het probleem is. Het 'Maandverslag Arbeidsmarkt' septem-ber 1978 -een uitgave van het Minis-terie van Sociale Zaken -verschaft over deze problematiek veel gege-vens, waarbij ik twee kanttekeningen maak. De eerste is, dat deze gegevens nu, één a twee maanden later, reeds ach-terhaald zijn. Ik vraag aan de Regering of het juist is, dat het aantal onvervul-de vacatures in de maand oktober met 5500 is toegenomen. In de tweede plaats kom ik tot een kritische benade-ring van bedoeld maandverslag. Het maandverslag constateert te recht dat er naast de 210.000 officieel als werk-loos geregistreerden nog 23.000 per-sonen zijn ingeschreven die zich be-schikbaar stellen voor een gedeelte-lijke dagtaak. Ik vraag de Regering, of hier nog niet bijgerekend moeten wor-den 10.000 werkloze gastarbeiders. Is het vervolgens juist, dat het aantal ille-gale gastarbeiders tussen de 5000 en

10.000 ligt? Acht de Regering het even-eens juist, dat weliswaar het aantal ge-registreerde onvervulde vacatures ca. 60.000 is, maar dat hier nog bijgeteld dienen te worden de niet geregistreer-de vacatures, met name in kleinere be-drijven en middenstand, en dat dit aantal ook nog wel eens 60.000 of zelfs veel meer kan bedragen? Als de Regering met mij eens is, dat we in Nederland zo langzamerhand voor een arbeidsmarktsituatie staan, die van de gekke is, moeten wij dan onze aandacht niet verleggen van het werkloosheidsprobleem naar het on-derbemanningsprobleem en in som-mige gevallen zelfs naar het onbeman-ningsprobleem? Ik vraag de Regering of zij ons kan zeggen, hoe lang nog de Nederlandse bevolking het zich kan permitteren, dat een steeds kleiner wordend aantal actieven de lasten draagt van een groeiend aantal inac-tieven en dat terwijl er misschien op het ogenblik nog voor 60.000 a 100.000 mensen werk ligt te wachten. Kan de Regering zeggen, hoe ver zij is geko-men met haar heroverweging van het begrip passende arbeid? Ik moet de Regering mededelen, dat mijn fractie niet wenst te berusten in de situatie van én toenemende werk-loosheid én een toename van onver-vulde arbeidsplaatsen van duizenden per maand tegelijk. Vandaar mijn vraag, of de Regering bereid is om bij voorbeeld twee keer per jaar aan de Kamer een overzicht te verschaffen van het effect van de door haar getroffen maatregelen. En mocht dit effect on-voldoende zijn, dan vragen wij om na-dere maatregelen, die een eind maken aan een situatie die ik belachelijk zou kunnen noemen als ze niet zo ernstig was. Ik wil hier ook nog de suggestie van Groenevelt ter sprake brengen. Door het instellen van een vrije vrijdagmid-dag, wil hij het werkloosheidspro-bleem te lijf gaan. Een econoom der Vrije Universiteit, prof. A. van Doorn, zegt hierover dat Groenevelts voorstel niets maar dan ook niets te maken heeft met de bestrijding der werkloos-heid. Hij typeert de vrije vrijdagmid-dag als het eerlijk verdelen van de werkgelegenheid volgens de 5 decem-ber-ideologie. Wat is het oordeel der Regering over de opvattingen van Groenevelt en over de reactie van Van Doorn? Een gezaghebbend man, die elk jaar in de discussie participeert, is dr. Zijl-stra. De Regering kent zijn opvattin-gen, ook hetgeen hij aandraagt om de werkloosheid te bestrijden. Ik ga er verder niet op in, maar misschien wil

Eerste Kamer 28 november 1978

Rijksbegroting

121