Zitting 1969-1970 -10 329

Gratieverzoeken van de drie in de strafgevangenis te Breda verblijvende oorlogsmisdadigers

BRIEF VAN DE MINISTER

VAN JUSTITIE

Nr. 1

'

s-Gravenhage, 29 september 1969.

Aan de Heer Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-G ener aal

Hierbij rnoge ik u het volgende mededelen. Reeds geruime tijd zijn bij mij in behandeling gratieverzoe-ken van ieder van de drie in de strafgevangenis te Breda ver-blijvende veroordeelden, die daar de levenslange gevangenis-straf ondergaan, waarin de doodstraf die hun was opgelegd wegens gepleegde oorlogsmisdaden, destijds door middel van gratie is omgezet. Ook van andere zijden, in het bijzonder door geestelijke verzorgers van gevangenen, is op het verlenen van gratie aan deze personen aangedrongen. De onderzoeken, gedaan naar aanleiding van elk dezer gratieverzoeken, hebben ten aanzien van geen der drie veroor-deelden zodanige feiten of omstandigheden aan het licht ge-bracht, dat thans een verlichting van de straf andermaal hante-ring van het gratierecht zou zijn te rechtvaardigen. Bij de be-oordeling mocht ook niet buiten beschouwing blijven, dat het hier gaat om delicten ten aanzien waarvan geen straf -ook niet de levenslange gevangenisstraf -ook maar enigermate evenredig kan zijn aan hetgeen is misdreven. De beslissing, dat de aanhangige verzoeken moeten worden afgewezen, stelt ons eens te meer voor de algemene vraag of het in overeenstemming is met onze zedelijke — en rechtsopvat-ting om iemand, wat hij ook heeft misdaan, jaar in jaar uit zonder enig uitzicht op vrijheid tot zijn dood gevangen te houden, ook als mag worden verondersteld, dat hij geen gevaar meer voor de maatschappij oplevert. Vaststaat, dat de van 1886 daterende regeling van de levens-lange gevangenisstraf moeilijk te verenigen is met de thans heersende opvattingen over betekenis en strekking van de straf. Volgens artikel 26 der uit 1951 daterende Beginselenwet Gevangeniswezen moet de straf mede dienstbaar worden ge-maakt aan voorbereiding van de terugkeer van gedetineerden in het maatschappelijk leven. De regeling van de levenslange gevangenisstraf in het Wetboek van Strafrecht is aan dat be-ginsel niet aangepast. Reeds in 1924, maar vooral vele malen na 1951 is erop aangedrongen, ook door colleges van advies en bijstand aan de Regering, dat de wetgever ook bij levens-lange gevangenisstraf de voorwaardelijke invrijheidstelling zou mogelijk maken, die bij tijdelijke gevangenisstraffen van meer dan 9 maanden pleegt te worden verleend nadat ï van de straftijd is verstreken. De behoefte aan deze aanpassing is echter in de praktijk niet sterk naar voren gekomen, omdat in de betrekkelijk weinige gevallen, waarin levenslange gevangenisstraffen worden opge-legd, er na verloop van tijd telkens weer bleek van bijzondere persoonlijke omstandigheden, op grond waarvan door middel van gratie de straf werd omgezet in een tijdelijke gevangenis-straf. Daarna volgde dan voorwaardelijke invrijheidstelling, wanneer ï van die tijdelijke straf was verstreken. Sinds de invoering van het Wetboek van Strafrecht in 1886 is 48 keer levenslange gevangenisstraf opgelegd wegens moord. Van deze veroordelingen zijn er 14 uitgesproken na 1945; waarvan 2 betrekkelijk kort geleden. De beide laatstveroor-deelden zijn nog gedetineerd, al de overigen zijn na verloop van tijd in vrijheid gesteld, behalve in enkele gevallen waarin veroordeelden, sommigen reeds na korte tijd. overleden. Wat de politieke delinquenten betreft, 101 van hen werden tot een

10 329 1