Aanhangsel tot het Verslag van de Handelingen der Tweede Kamer

237

VRAGEN door de leden der Kamer gesteld overeenkomstig artikel 107 van het Reglement van Orde, en de daarop door de Regering schriftelijk gegeven antwoorden

118. VRAGEN van de heer Maenen (K.V.P.) in ver­band met mogelijke gevaren van de steenberg van de Willem-Sofiamijn te Kerkrade. (Ingezonden 25 november 1966.)

1. Heeft de Minister kennis genomen van de berichten omtrent de overlast en de vermeende gevaren als gevolg van de toenemende druk van de brandende steenberg van de Willem-Sofiamijn te Spekholzerheide-Kerkrade?

2. Is het juist, dat als gevolg van de toenemende druk van deze steenberg de mijnschade aan woningen en andere ge­bouwen omvangrijker wordt en de wateroverlast in woningen, mede als gevolg van het ontbreken van behoorlijke wateraf­voer, steeds toeneemt?

3. Is het voorts juist, dat door de brandende steenberg een zodanige luchtverontreiniging wordt veroorzaakt, dat de bewo­ners in de omgeving hiervan in steeds toenemende mate hinder ondervinden? 4. Is de Minister bereid ter zake een deskundig onderzoek te doen instellen en, indien noodzakelijk of gewenst, maatre­gelen te treffen ter voorkoming van de toenemende overlast en de eventuele dreigende gevaren voor de bewoners in de omgeving van genoemde steenberg?

ANTWOORD van de heer Bakker, Minister van Econo­mische Zaken. (Ingezonden 12 december 1966.)

1. Het antwoord op deze vraag luidt bevestigend.

2. Het valt niet te zeggen of en in hoeverre de toenemende druk van de steenberg de mijnschade aan in de omgeving van die berg gelegen woningen en andere gebouwen beïnvloedt. Deze woningen en gebouwen zijn alle gelegen binnen het ge­bied, waar door de ondergrondse ontginning van steenkolen bodembewegingen voorkomen en dientengevolge mijnschade wordt veroorzaakt. Ter bestrijding van de brand in de steenberg worden daarop grote hoeveelheden water gebracht. Het is niet onmogelijk, dat naast de zware regenval van de laatste weken ook een betrek­kelijk gering gedeelte van het bluswater invloed heeft op de wateroverlast, welke, doordat bodembewegingen scheuren in de kelders van omringende woningen hebben veroorzaakt, in die kelders optreedt. De langs de voet van de steenberg gelegen greppel zal, ter verbetering van de afwatering, worden uitge­diept tot ongeveer 2 meter beneden het maaiveld.

3. In de omgeving van de gedurende reeds vele jaren bran­dende steenberg, en met name tussen de in de onmiddellijke

omgeving van die berg gelegen woningen, bevonden zich waar-nemingspunten ten dienste van een door de Nederlandse Or­ganisatie voor Toegepast Natuurwetenschappelijk Onderzoek (T.N.O.) in de jaren 1964 en 1965 ingesteld onderzoek naar de luchtverontreiniging in de Limburgse mijnstreek. Voorts zijn gedurende de laatste jaren op de steenberg door het Staatstoe­zicht op de Mijnen regelmatig metingen verricht naar het zwaveldioxide-en koolmonoxidegehalte van de lucht, welke me­tingen ook in de toekomst regelmatig zullen worden herhaald. Ten slotte worden door de betrokken mijnonderneming vrij­wel dagelijks metingen verricht naar vorengenoemde stoffen; de resultaten van deze metingen worden door ambtenaren van het Staatstoezicht op de Mijnen regelmatig gecontroleerd. De uitkomsten van alle vorenbedoelde metingen hebben aan­getoond, dat tot dusverre niet van hinder van ernstige aard noch van toenemende hinder ten gevolge van luchtverontreiniging kan worden gesproken.

4. Een deskundig onderzoek ter zake zou uiteenvallen in twee afzonderlijke onderzoeken, te weten naar de luchtveront­reiniging en naar de grondbeweging. De ondergetekende is van oordeel, dat, waar door de toezichthoudende instantie en de betrokken mijnonderneming regelmatig metingen ter bepaling van de mate van luchtverontreiniging worden verricht, vol­doende waarborgen bestaan om de situatie in het oog te houden en om, mocht zulks onverhoopt nodig zijn, doeltreffende maat­regelen te nemen ter voorkoming van ernstige hinder of gevaar door luchtverontreiniging. Er bestaat naar zijn mening dan ook geen aanleiding om daarnaast nog een onderzoek te doen in­stellen.

Door de mijn Willem-Sophia worden ingevolge artikel 132, tweede lid, van het Mijnreglement 1964 (Stb. 538) regelmatig waterpassingen en lengtemetingen uitgevoerd ter bepaling van de mate, waarin grondbewegingen zich voordoen. Een in ver­band met deze metingen nodig observatiepunt is gelegen in een in de steenberg aanwezige tunnel, terwijl bij die metingen drie observatiepunten worden gelegd over het talud van de steen­berg tot aan de dichtstbij gelegen woningen. De gegevens van de opmetingen moeten ingevolge artikel 134, eerste lid, van evengenoemd reglement in registers worden vermeld, zodat het Staatstoezicht op de Mijnen daarvan regel­matig kennis kan nemen. Van bodembewegingen, die een ge­vaarlijke situatie voor de omgeving zouden kunnen veroorzaken, is tot dusverre niet gebleken. De ondergetekende is van oordeel, dat vorenbedoelde water­passingen en lengtemetingen en het toezicht, dat ter zake door het Staatstoezicht op de Mijnen wordt uitgeoefend, voldoende waarborgen inhouden om de situatie voortdurend te volgen en om, indien nodig, doeltreffende maatregelen te nemen tot af­wending van gevaar.

Zitting 1966-1967 Aanhangsel

TWEEDE KAMER