% Zitting 1965-1966 -8409

Goedkeuring van de op 6 oktober 1965 te Londen ondertekende Overeenkomsten tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland onderscheidenlijk inzake de begrenzing van het tussen deze landen gelegen continentale plat onder de Noordzee en inzake de exploitatie van op zichzelf staande geologische structuren die zich over de grenslijn op het continentale plat onder de Noordzee

uitstrekken

MEMORIE VAN TOELICHTING

Nr. 3

In verband met de voorbereiding van het ontwerp van wet houdende nadere regelen ten aanzien van het onderzoek naar en de winning van delfstoffen in of op het onder de Noordzee gelegen deel van het continentaal plat (Bijl. Handelingen II •— 7670; Bijl. Handelingen I 1964/65, nr. 176) bleek het nog meer dan voorheen gewenst, dat zekerheid werd verkregen aangaande de begrenzing van dat deel van het plat, waarop Nederland overeenkomstig de regelen, vervat in het op 29 april 1958 te Genève gesloten Verdrag inzake het continentale plat, rechten kan uitoefenen. Het is uiteraard van belang zoveel mogelijk te vermijden, dat de Regering bij het uitgeven van concessies in het betrokken gebied in een conflictsituatie ge-raakt met een aan het Nederlandse deel van het plat grenzende buurstaat. Het bovengenoemd verdrag van Genève stelt wel-iswaar een algemene norm (het z.g. equidistantiebeginsel) als maatstaf voor de afbakening van het aan de kuststaten toe-komende deel van het continentaal plat, doch vooronderstelt daarbij, dat de kuststaten deze afbakening onderling bij over-eenkomst nader vaststellen. Gezien de bovengeschetste noodzakelijkheid is de Regering er in een vroeg stadium toe overgegaan contact op te nemen met de aan het Nederlandse deel van het plat grenzende staten (te weten, in chronologische volgorde, met de Bondsrepubliek Duitsland, het Verenigd Koninkrijk, België en Denemarken) ten einde te bevorderen, dat de grenslijn in bilateraal overleg met de betrokken staten wordt vastgelegd. Zoals bekend hebben de besprekingen met de Bondsrepubliek vooralsnog slechts beperkte resultaten opgeleverd. De con-tacten met de andere genoemde buurstaten wettigen daaren-tegen de verwachting, dat te hunnen aanzien geen moeilijk-heden bij de vaststelling van een grenslijn zullen rijzen. Op 22 maart 1965 vond te 's-Gravenhage het eerste officiële overleg plaats tussen een Britse en een Nederlandse onder-handelingsdelegatie. Dit overleg ontmoette weinig hindernissen, aangezien beide landen zich terecht op het standpunt stelden, dat het equidistantiebeginsel de maatstaf voor de kuststaten moet vormen bij de verdeling van het continentaal plat onder de Noordzee. Daarenboven bestond overeenstemming over de noodzakelijkheid, aandacht te besteden aan de situatie, welke zou ontstaan ingeval aan weerszijden van de grenslijn op het plat wordt overgegaan tot exploitatie van eenzelfde, de grens overlopende, structuur van vloeibare delfstoffen of aardgas. Het Brits-Nederlandse overleg heeft geleid tot de opstelling van twee ontwerp-overeenkomsten waarvan de een zich richt op de vaststelling van de grenslijn in het continentaal plat (z.g. „boundary agreement"), en de ander op de exploitatie van op zich zelf staande geologische structuren, die zich uitstrekken aan weerszijden van de scheidingslijn tussen het Britse en Nederlandse deel van het plat (z.g. „consultation agreement"). Hieronder wordt, voor zover nodig, aandacht besteed aan de bepalingen van elk van beide overeenkomsten afzonderlijk.

De ,,boundary

agreement"

Considerans en artikel 1. Zoals reeds boven werd opge-merkt, is de tussen beide landen overeengekomen grenslijn ge-baseerd op het beginsel van de equidistantie en wel overeen-

komstig het voorschrift van artikel 6 van het verdrag van Genève van 29 april 1958. Het werd wenselijk geoordeeld de grenslijn definitief vast te leggen en haar niet afhankelijk te stellen van latere veranderingen in de basislijn van de territoriale wateren, hetgeen immers de gewenste zekerheid betreffende de begrenzing van het plat grotendeels zou teniet doen en boven-dien niet zou beantwoorden aan de geest van artikel 6 van voornoemd verdrag van Genève.

Artikel 2. Bij het bepalen van de grenslijn met het Verenigd Koninkrijk in het continentaal plat stuit men zowel aan het zuidelijk als aan het noordelijk eindpunt van de lijn in zoverre op een moeilijkheid, dat deze punten (respectievelijk punten 1 en 19 van de in artikel 1 genoemde coördinaten) tevens grens-punten vormen met een derde land (in casu respectievelijk met België en Denemarken). Nadat in het overleg met het Ver-enigd Koninkrijk de ligging van beide drielandenpunten was berekend, is langs diplomatieke weg de instemming van de beide andere betrokken landen ter zake gevraagd. Deze in-stemming werd inmiddels langs dezelfde weg verkregen: het is verheugend in dit verband te kunnen constateren, dat ook de Belgische en Deense regeringen de verdeling van het continen-taal plat onder de Noordzee willen baseren op het beginsel van de equidistantie.

„Consultation

agreement".

Aan de tussen beide staten overeen te komen regeling ligt het beginsel ten grondslag, dat men enerzijds terugvindt in artikel 11, tweede lid, onder b, van het ontwerp Mijnwet Continentaal Plat (kamerstuk 7670). Op basis van laatstbedoelde bepaling kan de Minister van Economische Zaken van de houder van een winningsvergun-ning medewerking verlangen aan de totstandkoming van een overeenkomst, krachtens welke een delfstofvoorkomen, dat de grens overschrijdt van het gebied, waarvoor de winningsvergun-ning geldt, zal worden ontgonnen in onderling overleg met de voor het aangrenzend gebied tot winning van die delfstof gerechtigde. Anderzijds is een bepaling van dezelfde strekking opgeno-men in de „petroleum regulations" voor het Britse deel van het continentaal plat. De bedoeling van deze bepalingen is te bereiken, dat zulk een voorkomen op de meest rationele wijze wordt ontgonnen ter verkrijging van de maximale hoeveelheid delfstoffen, onder vermijding van voor dat doel overbodige boringen. Daartoe is het wenselijk, dat zulk een veld door samenwerking tussen de belanghebbenden als een eenheid wordt ontgonnen. Deze praktijk wordt in de olie-industrie veelvuldig toegepast. In de memorie van antwoord aan de Tweede Kamer met betrekking tot het ontwerp Mijnwet Continentaal Plat werd er reeds op gewezen, dat de ter zake beoogde regeling voor het Nederlandse deel van het continentaal plat nog geen oplossing biedt ingeval het aangrenzend gebied buiten dat deel van het plat valt, zodat bij de onderhandelingen over de grenslijnen zou moeten worden onderzocht of in het kader van de te sluiten overeenkomsten een soortgelijke regeling kan worden getroffen. Hierin wordt nu in de voorliggende overeenkomst voorzien.