7

dit plan over de jaren 1954—1956. Wij veroorloven ons daar-heen te verwijzen; het zou ons veel te ver voeren, indien wij hier een ook maar enigszins volledige opsomming van deze werkzaamheden wilden geven. Wel willen wij er hier nog eens de aandacht op vestigen, van hoeveel belang voor de toekom-stige ontwikkeling van Suriname het werk van het Tienjaren-plan moet worden geacht. Ongetwijfeld is dit plan op zich zelf nog niet in de verste verte voldoende om de economische en sociale toestand van Suriname blijvend een gezonde basis te geven, maar het heeft het karakter van een veelzijdige gang-maker. Het is Surinaams-Nederlands degelijk en tevens fan-tasierijk in zijn objecten en zijn werk en draagt daardoor tot de ontwikkeling van Suriname meer bij dan de meeste mensen, althans in Nederland, beseffen. Niet alleen in Suriname, maar ook in Nederland behoort het plan, naar het ons voorkomt, nog meer bekendheid te verkrijgen. Daartoe bestaat te meer reden, omdat een groot gedeelte, nl. een derde, van de kosten van het plan door Nederland a fonds perdu wordt bijgedragen, terwijl Nederland nog eens een derde deel tegen een lage rente, nl. 3 pet., aan Suriname als lening verstrekt; het resterende derde deel fourneert Suriname zelf. Wij kunnen niet nalaten hier een enkele opmerking te maken over de organisatie van de uitvoering van het plan en het toezicht daarop. De uitvoering berust bij het Planbureau te Paramaribo, een Surinaamse instelling, die de onderdelen van het plan uitwerkt en ze doet uitvoeren. Daarnaast staat een Nederlandse Missie voor het Tienjarenplan. Nu spreekt het vanzelf, dat Nederland, dat een zo groot deel van de finan-ciering van het plan op zich genomen heeft, ook betrokken blijft bij de besteding. Daartegen heeft men in Suriname uiteraard ook geen bezwaar. Men heeft er echter vvèl kritiek op het feit, dat deze missie blijkbaar onvoldoende bevoegd-heden bezit om de aan haar voorgelegde plannen goed te keuren. Telkens blijkt, dat de missie eerst aan de Nederlandse Regering moet rapporteren en dat dan allerlei organen in Nederland de plannen tot in details gaan bestuderen, waarna een uitgebreide correspondentie volgt. Dit alles kost tijd en maakt, dat de uitvoering van de plannen stroever verloopt dan mogelijk ware. Wij kregen de indruk, dat de organisatie ver-eenvoudigd en verbeterd zou kunnen worden door een ruimere mate van delegatie aan de ter plaatse aanwezige Nederlandse missie. Tijdens de rondrit van deze ochtend bezochten wij ook de fraaie cultuurtuin met het landbouwproefstation, waar — met steun van het Tienjarenplan — uitstekend werk ten behoeve van de landbouw wordt verricht. O.a. worden hier jonge cacao-struiken gekweekt, die goede verwachtingen wekken. Verder bezochten wij de keurige nieuwe nijverheidsschool voor meisjes. waar de leerlingen ons op zelfgemaakte Surinaamse lekkernijen onthaalden. 's Middags verdeelden wij ons in kleine groepen, die ver-schillende instellingen bezochten. Sommigen onzer bezichtigden boerderijen, waaronder de landsboerderij, die als centrum van voorlichting van veel belang is. Anderen bewonderden o.a. de nieuwe vleugel van het r.-k. ziekenhuis, die een model-gebouw mag worden genoemd. Hier kwamen zij o.a. in aan-raking met het probleem, dat men zich veel moeite geeft voor de opleiding van verpleegsters, maar dat niet weinigen van deze verpleegsters door Nederland worden weggetrokken. Bij onze rondritten bezochten wij o.a. de nieuwe woonwijk Zorg en Hoop, die met haar fleurige huizen en tuinen, mooie scholen en een fraaie nieuwe kerk een prettige indruk maakt. Dezelfde avond scheepten wij ons in op het m.s. ,.Perica", dat ons in één nacht naar Moengo zou brengen. Dit schip, dat normaal dienst doet tussen Paramaribo en Nickerie, was uit-stekend ingericht met veldbedden ten behoeve van het talrijke gezelschap, dat de reis meemaakte. Ir. Meijer en zijn mede-werkers toonden zich voortreffelijke gastheren, zowel aan boord als aan de wal. De reis in de koele nacht over de eerst zeer brede Commewijne en later over de veel smallere Cottica was een genot. Het is hoogst merkwaardig, dat de grote

bauxietschepen langs deze rivieren 160 km het binnenland in kunnen varen, dank zij de grote diepte van deze wateren. Voor de economie van Suriname is dit natuurlijk van het grootste belang. Moengo is van Paramaribo uit niet over land te be-reiken (er is geen weg door het oerwoud), maar er is wel een geregelde luchtverbinding en overigens gaat het verkeer per schip. De oevers van de rivier zijn over grote afstanden vrijwel onbewoond. Zaterdag 23 maart kwamen wij omstreeks zonsopgang te Moengo aan. Op het laatste traject haalden wij verschillende korjalen met Boslandcreolen in. Het was interessant te zien, hoe deze mensen uit hun nog volkomen primitieve dorpjes als forensen naar de moderne industriestad reisden. In Moengo werden wij gastvrij ingehaald en zeer conforta-bel ingekwartierd, deels in een logeergebouw, deels in huizen van verlofgangers, terwijl enkelen het voorrecht hadden in de villa van de directeur der Surinaamse Bauxite Maatschappij te mogen logeren. Na een ontbijt in de Stafclub van de S.B.M, werden wij rondgeleid in het grote dorp langs de keurige woningen, de scholen, het uitstekend ingerichte ziekenhuis, de kerken, het zwembad enz. Het ziekenhuis, gebouwd toen de nu geheel verdwenen malaria hier woedde, is gelukkig te groot geworden voor de behoefte; de drukste afdeling is tegenwoordig de kraamafdeling. Het gehele dorp, op twee na de grootste plaats van Suriname, ligt op een uit bauxiet be-staande heuvel. Men ontgint deze op het ogenblik uiteraard niet verder; mochten echter de verdere vindplaatsen uitge-put raken, en zou Moengo dientengevolge geen reden van bestaan meer hebben, dan zou men ten slotte ook de grond onder het dorp nog kunnen weggraven. Natuurlijk bezochten wij ook de fabriek, waar het erts wordt gebroken en ge-droogd. Ten slotte liet men ons de uitstekend ingerichte boer-derij zien. waar de melk voor het gehele dorp wordt gepro-duceerd en gepasteuriseerd. Terecht is de S.B.M, trots op deze modelinrichting. Na de lunch vertrokken wij per autobus (er loopt een rij-weg van Moengo naar het oosten, maar zoals gezegd, geen naar het westen) eerst naar het terrein, waar men het bauxiet afgraaft, dat per trein naar Moengo vervoerd wordt, en daar-na naar Moengotapoe, een Boslandcreolendorp. Hier zagen wij een aardige dansdemonstratie. Vervolgens reden wij verder naar Albina, de kleine hoofdplaats van het district Marowijne. aan deze machtige rivier gelegen, met uitzicht op Frans Guyana. Aan de verleiding om de enige bezienswaardigheid van het tegenoverliggende Saint Laurent. nl. de galgen uit de tijd. dat het een strafkolonie was. te gaan bezichtigen boden wij weerstand. Er was in Albina heel wat meer en interessanters te zien. Voor de woning van de districtscommissaris, kapi-tein H. D. Rijhiner. die ons gastvrij ontving, was nl. de ge-hele bevolking opgesteld, waarbij vooral de Indianen in hun kleurige verentooi een schitterende aanblik boden. Zelden kregen wij een zo goede indruk van de grote gevarieerdheid van de Surinaamse bevolking als ons hier op kleine schaal gegeven werd. Op de terugweg hielden wij stil bij een kamp van houtkap-pers aan de Negerkreek. Op deze concessie van de Fa. Bruyn-zeel werken Boslandcreolen uit verafgelegen dorpen, waar men van tijd tot tijd nog vuurdansen uitvoert, die in het bene-denland vrijwel niet meer te zien zijn. Ter gelegenheid van ons bezoek werd nu zulk een vuurdans uitgevoerd, die wij niet licht zullen vergeten. Hoe het mogelijk is. dat deze mannen met hun blote voeten in een flink vlammend vuur dansten, dat zij zelfs hun grote kapmessen roodgloeiend maakten en die dan tegen hun benen hielden zonder zich te branden, bleef ons een raadsel. Naarmate het feest vordert, schijnen zij steeds meer in trance te geraken. Er is in deze gevoelloos-heid voor vuur een element van geheimzinnigheid. '

s-Avonds was er een drukbezochte receptie in de Stafclub, waar wij met vele inwoners van Moengo kennis maakten. Het was de bedoeling geweest een tuinfeest te geven, maar de aanhoudende regen belette dit.