Vaststelling hoofdstuk XI (Landb., V. en V.) en Egalisatiefonds voor 1957

51ste vergadering -15 maart '57 3575

Vredeling bedrijfsleven in O.E.E.C.-verband. Met de Landbouwafdeling loopt dit contact zeer stroef. Ik hoop, dat de Minister eraan zal willen medewerken de „public relations" van de Agri-cultural Division van de O.E.E.C. te verbeteren. De kritiek hierover in de I.F.A.P.—C.E.A., de landbouwverwerkende industrie en de Internationale Landarbeiders Federatie is alge-meen. Mijnheer de Voorzitter! Ik kom thans tot de binnenlandse landbouwpolitiek. Met betrekking tot de structuur verbeterende maatregelen, die in de Memorie van Antwoord worden uiteen-gezet, heeft mijn fractiegenoot de heer Egas reeds het een en ander gezegd. Ik zal mij daarom beperken tot het vraagstuk van de landarbeid. Het is verheugend, dat de Minister het landarbeidersvraag-stuk ais een der centrale agrarische problemen beschouwt. Ik zou hierbij liever niet alleen over een landarbeidersvraagstuk willen spreken, maar zou dit algemener willen stellen en spreken over het vraagstuk van de landarbeid in het algemeen. Het landarbeidersprobleem is hiervan een, zij het een belang-rijk, onderdeel. Ik ga er gaarne mede akkoord, indien men stelt, dat het streven erop gericht dient te zijn, de bedrijven te vergroten. Wij zullen daarvan echter geen revolutie moeten verwachten, daar het tot stand brengen van allemaal grotere bedrijven ineens niet mogelijk is. Hier ligt een belangrijk orga-nisatieprobleem. De voordelen van een grootscheepse mechani-satie gaan het kleinbedrijf, het gezinsbedrijf in het algemeen toch voorbij. Dit wordt nog niet als bezwaarlijk gevoeld door het arbeidsoverschot, maar dat verdwijnt. Daardoor ontstaat voor deze bedrijven de noodzaak tot coöperatie, ook bij de arbeid. Het is eigenlijk een wat merkwaardige ontwikkeling, dat men in de landbouw een grote bloei heeft gekend van de aankoop-en afzetcoöperatie, maar niet van de produktie-coöperatie, ook al zijn er op dit gebied wel tendensen. Ik wijs op de werktuigencoöperatie en de kunstmatige beregening in coöperatief verband. Men kan zeggen, dat de arbeidscoöpe-ratie op de kleine bedrijven slechts zeer bescheiden is. Op de grotere bedrijven vinden wij daar een betere vorm van, als wij b.v. denken aan de uitbesteding van werk, het z.g. werk door derden. Dit geschiedt in het bijzonder op de grote akkerbouw-bedrijven in deze vorm, dat personen buiten het bedrijf dit werk uitvoeren. Op de grote akkerbouwbedrijven wordt ca. 20 pet. van de totale arbeids-en werktuigkosten door derden verricht; op de kleine bedrijven nauwelijks 2 pet. Ik wil in dit verband wijzen op de inleiding, die ir. Emmens heeft gehouden voor het Nederlands Genootschap van Landbouwwetenschap. Ik ben het op vele punten daarmede niet eens, maar op één punt wel, nl. dat de gedachte aan concentratie en aan samen-werking op zich zelf juist is. Op de grotere bedrijven met arbeiderstekort vinden wij die grotere concentratie en samen-werking al in de vorm van de werkgeversverenigingen, waar-over ik straks nog meer zal zeggen.

Het is verheugend, dat de Minister mededeelt, dat een af-zonderlijk onderzoekingsinstituut voor bedrijfsgebouwen is op-gericht. De gebouwen vormen het knelpunt, niet alleen door de eigenaarslasten, maar ook uit een oogpunt van organisatie. De ligging van de gebouwen ten opzichte van de kavels is zeer belangrijk en hetzelfde geldt voor de inrichting der ge-bouwen. Een hoog percentage van de arbeid op het boeren-bedrijf bestaat uit transport, lopend of rijdend transport. Arbeid is, dat weten wij allen, duur. Het is nodig, dat de boeren en tuinders in het algemeen een urenbesef krijgen, dus dat men er zich rekenschap van geeft, dat ook bij de arbeid op de arbeid moet worden bespaard. Het vetgehalte van de melk is uitcr-aard belangrijk, maar de inrichting van de stal en de plaatsing van de silo's zijn belangrijker. Blijkens een recent artikel van ir. Penders in „Landbouwvoorlichting", wordt gemiddeld 40 pet. van alle arbeid in en om de gebouwen verricht. Juist bij deze arbeidspost kan door rationalisatie van de inrichting der gebouwen veel worden bereikt. Mijnheer de Voorzitter! Ik kom thans tot het eigenlijk land-arbeidersvraagstuk.

Ik heb er reeds mijn verheugenis over uitgesproken, dat de Minister dit vraagstuk centraal stelt. Alvorens hierover thans verder iets te zeggen, moet mij nog een andere opmerking van het hart, nl. de opmerking, dat het landarbeidersprobleem een structureel vraagstuk is, dat culmineert in de sociale positie van de landarbeider. Nu heeft de sociale positie van de landarbeider in het bij-zonder in de belangstelling van deze Kamer gestaan in de laatste maanden, met name sedert het toepassen van de ge-differentieerde loonpolitiek. In plaats van het inlopen van een achterstand in die sociale positie is er dientengevolge een ver-groting van de achterstand te constateren. Er moest tot twee-maal toe een motie aan te pas komen, nl. een van de heer Vondeling en een van de heer Roemers, om dit weer recht te trekken. Mijnheer de Voorzitter! Ik wil hier geen verklaring trach-ten te geven van het feit, dat beide malen het initiatief voor een motie uitging van de fractie van de P.v.d.A., maar wel wil ik er met nadruk op wijzen, dat hierin een waarschuwing ligt voor de toekomst. Nu heeft de heer Van der Ploeg bij de mondelinge behandeling van de begroting van Sociale Zaken en Volksgezondheid gezegd, dat voor de landbouw geen dif-ferentiatie zou mogen gelden vanwege de bijzondere positie van de landbouw. De heer Van der Ploeg heeft hiervan ook een definitie gegeven, waar hij heeft verklaard, dat er voor de landbouw geen differentiatie mag komen, omdat de Regering de prijzen vaststelt. Hij zegt nl., volgens blz. 3251 van de Handelingen: „Uit dit enkele feit echter, dat de Regering de prijzen van een aantal landbouwprodukten vaststelt, volgt naar mijn mening, dat zij er daarbij ook op zal hebben te letten, dat in die prijzen de mogelijkheid zit voor een redelijke beloning en dit redelijk dan gezien in het licht van de algemene sociaal-economische situatie.". Ik geloof echter, Mijnheer de Voorzitter, dat hiermede de kern van de zaak niet is geraakt. Het gaat niet om het feit, dat de Overheid prijzen vaststelt in de landbouw, maar om de vraag, waarom de Overheid dit doet. Over deze vraag is verleden week en ook deze week uitvoerig gesproken in deze Kamer. Dit „waarom" is namelijk de slechte economische positie van de landbouw in deze periode van hoogconjunc-tuur voor het overige bedrijfsleven. Dit is de kern van de zaak. Het prijsvaststellingscriterium van de geachte afgevaar-digde is niet houdbaar. Van de totale waarde der land-en tuinbouwproduktie van ongeveer 5,5 miljard valt slechts plm. 40 pet. onder de prijsgarantie en plm. 60 pet. daarbuiten. In de gegarandeerde produkten zit voor 700 miljoen aan arbeid, waarvan 175 miljoen betaald loon, d.w.z. slechts een derde deel van de totale loonarbeid. Ook al zou het prijsvaststellings-criterium van de geachte afgevaardigde voor het niet toepas-baar zijn van de gedifferentieerde loonpolitiek opgaan — wat ik bestrijd —, dan valt 2/3 van het loon van de landarbeider daar buiten. Is de gedifferentieerde loonpolitiek daarop wèl van toepassing? De geachte afgevaardigde zou mij en in het bijzonder de landarbeiders een dienst bewijzen, als hij hiervan een verduidelijking gaf. Dit is niet alleen van belang voor de arbeiders, maar ook voor de boeren, want de totale beloning van de boer is via de garantieprijzen gekoppeld aan de loon-index. Ik zou overigens willen vragen, wat hier onder loon-index moet worden verstaan. Ik zou er bezwaar tegen hebben, als hierbij voor de boeren gedacht werd aan een gedifferen-tieerde loonindex; dit zou even grote bezwaren bij mij op-roepen als bij de landarbeiders. Wanneer ik nu terugkeer naar de Memorie van Antwoord, dan wil ik erop wijzen, dat de Minister hier een opsomming geeft van de vraagstukken, waarvoor de landarbeiders staan. Hij noemt daarvan enige en zegt, dat vele reeds in studie zijn. Op zich zelf is dit juist, maar ik kan mij wel aansluiten bij de heer Biewenga, die erop heeft gewezen, dat men met studie alleen er niet is. In de studeerkamer lost men de land-arbeidersvraagstukken niet op. Ik zou hierbij in het bijzonder Deel III Zitting 1956—1957

TWEEDE KAMER