536

40ste Vergadering -6 Mei '54

Vaststelling hoofdstuk III (Buitenlandse Zaken) 1954

Minister Beyen e. a. beleid betreffen en, wat erger is, die wel rechtstreeks het beleid van enigen van mijn ambtgenoten betreffen. Ik gevoel dus een zekere schroom om vanaf deze plaats in te gaan op een aantal van de door de heren Schermerhorn en Kapteijn naar voren gebrachte onderwerpen. Er zijn daarbij enkele van zeer alge-menc aard. Ik noem het vraagstuk van de prijs van het goud en de kwestie van de driehoeksverhouding in verband met de dollargap en ik noem het vraagstuk van de ontwikkeling van achterlijke gebieden, alle drie onderwerpen, waarmede ik mij in een vroeger stadium zeer intensief heb beziggehouden en die mij dus zeer aanlokken als onderwerp ener beschouwing mijnerzijds. Ik wil echter aan de heren Schermerhorn en Kap-leijn vragen het mij niet kwalijk te nemen, als ik dit, althans aan het eind van dit lange verhaal, op het ogenblik niet doe. Mijnheer de Voorzitter! De geachte afgevaardigde de heer üerretson heeft Helene Lapidoth Swart — niet Pol de Mont — geciteerd: „Een prettig spel houdt kinderen zoet". De voor-afgaande versregel luidt: „Wij speelden pandje met ons leven". Dat is inderdaad, wat in dit tijdsgewricht ieder land doet. De rol van kleinere landen in dat spel is minder beslissend, maar /ij is belangrijk. Door de groei van de georganiseerde interna-tionale samenwerking staat ieder klein land niet meer alleen en kan ieder klein land zijn rol spelen en zijn stem laten horen. Met alle nuchterheid, die nodig is in de internationale politiek, ZOU het een dwaling zijn er van uit te gaan. dat die stem niet gehoord wordt en dat die rol geen betekenis heeft. De geachte afgevaardigde de heer Schermerhorn heeft terecht gesproken van het z.g. realisme, dat de werkelijkheid miskent, omdat het zich op één aspect blind staart. Het is ons aller taak mede te werken om de spanningen in de wereld te verzachten. Het is ons aller belang de onoverzien-bare catastrofe af te wenden, die een wereldoorlog over de aarde zou brengen. Maar wij zouden onze heilige plicht ver-zaken, indien wij slechts oog hadden voor gevaren van mate-rieel geweld. „Hoe dikwerf storten wij in d'afgrond der gevaren, Door altijd angstig in het dreigend diep te staren", zegt La l'onlaine, vertaald door Ten Kate. De „schoonste uren" van ieder volk zijn die geweest, waar het het materieel gevaar ge-ring geacht heeft in de strijd voor zijn heiligst geestelijk bezit. Het herstel van West-Europa heeft zich voltrokken ondanks de dreiging, waaraan het was blootgesteld. Ik ben van de N.A.T.O.-vergadering van 23 April teruggekomen onder de indruk van het nog steeds dreigende gevaar, maar ook met de troostrijke voldoening, dat een zo innige politieke en militaire samenwerking tussen de Westelijke landen mogelijk is. Die samenwerking bedreigt niemand, maar verhoedt, dat zwakte en verdeeldheid de weg zouden banen voor de ondergang van die vrijheid van de mens, die het hoogste goed der Christelijke beschaving is. Het recht op dat goed kan slechts door ononder-broken streven, ononderbroken waakzaamheid worden behou-den. Het verjaart door non usus. Het goed zelf is als ons eigen land, schoon door toegewijde menselijke zorg aan het van God gegevene. Het is die toegewijde zorg, die de „miracles" voortbrengt, waar men de laatste tijd van spreekt. Het is met die beginselvaste toewijding, dat de Westelijke wereld moet blijven arbeiden aan het tot stand brengen van een werkelijk „ontspannen" wereld.

De vergadering wordt voor vijftig minuten geschorst.

De vergadering wordt hervat.

De heer Luns, Minister zonder Portefeuille: Mijnheer de Voorzitter! Gisteravond ben ik teruggekomen van de con-ferentie te Genève, die mij gelegenheid heeft gegeven van nabij gade te slaan in welk stadium de Oost-West-verhouding op het ogenblik verkeert. Het zij mij vergund hieraan enige woorden van algemene aard te wijden. Met de conferentie in Berlijn is een nieuw hoofdstuk be-gonnen in de relaties lussen de vrije wereld en de communis-

Minister Luns tische landen, een hoofdstuk, dat men tot titel zou kunnen geven „Opening der Onderhandelingen". Men zou nl. de ver-houding tussen de Sovjet-Unic en het Westen in een aantal perioden kunnen verdelen. Het Tsaristische Rusland speelde als grote Mogendheid een vooraanstaande rol in de wereldpolitiek. Na de revolutie van 1917 en de vergeefse poging Polen te over-weldigen verdween de Sovjet-Unie als gesprekspartner voor enige tijd van het toneel, voornamelijk als gevolg van interne zwakte. De grote potentiële macht van Rusland stond op de achtergrond, maar nam niet deel aan het overleg der Mogend-heden in haar talrijke conferenties over de liquidatie van de gevolgen van de eerste wereldoorlog. In de twintiger jaren kwam de Sovjet-Unie op het internationale niveau weinig naar voren en consolideerde het nieuwe bewind zijn machtspositie in eigen land. Op deze hoofdregel waren uitzonderingen: Rusland nam deel aan de conferentie van Genua, de Ontwapenings-conferentie en de Economische Conferentie te Londen en werd in 1934 lid van de Volkenbond. Dit neemt echter niet weg, dat op de wereldpolitiek weinig rechtstreekse invloed van Rusland uilging. De opkomst van het nationaal-socialisme in Duits-land deed de Sovjet-Unie zich sterker dan tevoren met de Euro-pese politiek inlaten. Toen bleek ook, hoezeer het intern ge-consolideerde en militair versterkte Rusland een machtsfadtor was geworden. Dit bleek speciaal in de zomer van 1939, toen door het accoord met Von Ribbentrop, Stalin en Molotov de weg openden voor de oorlog, die Hitler door de onzekerheid van de houding van Rusland in zijn rug nog niet had durven beginnen. Rusland was van dat ogenblik af één van de hoofd-personen op het wereldtoneel. De Duitse aanval op de Sovjet-Unie van 1941 bracht Rusland aan de zijde van de Westelijke Mogendheden. In de daaropvolgende jaren, tot 1945, ontstond een zeer nauw contact en werd door velen verwacht, dat het Russische isolement zou zijn verbroken ten gunste van een blijvende nauwe samenwerking met het Westen. Na de néder-laag van Duitsland en Japan bleek echter alras, dat de leiders van het Kremlin geen afstand hadden gedaan van de traditio-nele communistische politiek van machtsuitbreiding en over-heersing, terwijl voorts het uitgesproken wantrouwen tegen de vrije wereld was blijven bestaan. Reeds in 1945 gingen de wegen uiteen en ontstonden lange reeksen van meningsverschillen op bijna alle punten, waarop belangen van het Oosten en van het Westen elkander raakten. In die dagen ontstond ook wat Churchill genoemd heeft het IJzeren Gordijn.

Tussen 1945 en 1947 maakten wij in Europa een uiterst ge-vaarlijke phase door. Amerika en Engeland, zoals van Angel-saksische landen na een sterke inspanning te verwachten is, keerden terug naar het klimaat van de vrede, demobiliseerden voor een groot deel hun troepen en waren geestelijk, noch physiek klaar om onmiddellijk leiding te geven aan de vrije wereld. Tegelijkertijd was West-Europa op zijn dieptepunt. Het moest nog beginnen aan de wederopbouw, aan het herstel van zijn productie, aan moeizame financiële gezondmaking, om van militair herstel nog maar niet te spreken. In die jaren oefende de Sovjet-Unie, geleid door de concepties van de Cominform, grote druk uit op de randen van haar invloeds-sfeer. Zij poogde de geallieerde bondgenoten door een blokkade te verwijderen uit Berlijn; zij oefende zulk een rechtstreekst druk uit op Tsjecho-Slowakije, dat de laatste resten democratie werden opgeruimd. Grote pressie werd ook uitgeoefend op het bewind van Tito in Joego-Slavië, dat zich echter niet wilde laten gelijkschakelen en wist stand te houden. In Griekenland werd een burgeroorlog ontketend, waarbij de communisten door Rusland werden gesteund tegen de wettige Regering. In Iran kwam de Sovjet-Unie tussenbeide en bovenal: de weg werd gebaand voor een volledige communistische overwinning in China. In dezelfde jaren bevroren de militaire demarcatielijnen in Duitsland en Korea, waar men het op geen enkel punt met de bondgenoten uit de oorlog kon eens worden over de her-eniging van de in deze landen ingestelde bezettingszones.

Er is geen twijfel over, dat daarna, en wel in 1947 en 1948, de Verenigde Staten de vrije wereld hebben gered. Het Marshall-Deel I Zitting 1953—1954

EERSTE KAMER