Bijlagen

352

2

sweede Kamer 27

Memorandum betreffende verlangens van territoriulen en economischer) aard ten aanzien van Duitsonland.

heid water, die door een bepaald profiel stroomt bij vloed (land­waarts) en bij eb (zeewaarts) wordt dan bepaald door de vloed­berging van de kom, die landwaarts van dat profiel is gelegen. Bij het spel van vullen bij vloed en ledigen bij eb speelt de uitgebreide kom, die door den Dollart wordt gevormd, een groote rol. Uit liet voorgaande volgt, dat de invloed van den Dollart verder zeewaarts naar verhouding geringer wordt. ])p Eemsmonding vertoont zeewaarts van den Dollart ver­schillende geulen. Tussehen de Nederlandsche provincie Gro­ningen en het Pruisische Oost-Friesland worden twee hoofd­geulen aangetroffen, waarvan de oostelijke (het Oostfriesche Gaatje) in hoofdzaak door don vloedstroom wordt gevolgd en in stand gehouden, de westelijke (de Bocht van Watum) door den ebstroom. Dit verschijnsel van meer geulen, die door de verschillende getijstroomen in stand worden gehouden, is normaal voor wijde riviermondingen. Op de plaatsen waar deze geulen elkander ont­moeten ontstaan stroom verlammingen, die aanleiding geven tot zandnederzettingen, die drempels vormen, welke voor de scheep­vaart hinderlijke ondiepten kunnen opleveren. Dit is o.m. het geval bij het punt even westwaarts van den Dollart, waar de Bocht van Watum en het Oostfriesche Gaatje samenkomen. De Duitsehers hebben hier ingegrepen en hebben de drempel in den mond van het Oostfriesche Gaatje door baggerwerk opgeruimd. Zij deden dit ten behoeve van de scheepvaart op Einden, die het Oostfriesche Gaatje volgde. Dit baggerwerk stoorde de natuur­lijke waterbeweging, te meer daar de Duitsehers eenige malen de uitkomende specie in de Bocht van Watum deponeerden, blijk­baar met de bedoeling om deze in vermogen te doen achteruit­gaan.

Ten koste van het vermogen en van de diepte van laatstge­noemd vaarwater werd de aan­en

afvoer van het water door het Oostfriesche Gaatje bevorderd. Aan de Bocht van Watum ligt de Nederlandsche haven van Delfzijl. De toegang naar deze haven werd als gevolg van het Duitsche baggerwerk door ver­zanding bemoeilijkt. Voor Delfzijl bestemde schepen van grooter diepgang dan 0 m zijn dientengevolge in verschillende perioden gedwongen geweest het Oostfriesche Gaatje te bevaren tot de samenkomst met de Bocht van Watum (Bovenhondton) en dan in omgekeerde richting van laatstgenoemd vaarwater naar Delf­zijl.

Zonder uitvoering van werken is het vaarwater naar Emden voor diepgaande schepen niet in voldoenden staal ie houden. Het is echter niet toelaatbaar, dat de toegang naar de Duitsche haven Emden wordt verbeterd ten koste van die naar de Neder­landsche haven van Delfzijl, temeer, daar zi".v wel beider be­langen tegelijk' kunnen worden gediend. Daartoe is slechts noodig, dat niet het Oostfriesche Gaatje als toegang voor Emden blijft aangewezen, maai' dat de Bocht van Watum zoowel voor Delfzijl als voor Emden den toegang vormt. De uit te voeren werken moeten dan de strekking hebben het vermogen van deze geul te vermeerderen en het vermogen van bot Oostfriesche Gaatje te verminderen. Er is nog een omstandigheid, die tot uitvoering van werken ten behoeve van do scheepvaart noopt en wel de door Nederland beoogde landaanwinning door indijking van aanwassen. In de Eemsmonding is reeds sinds eeuwen een proces van aanzanding en opslibbing, gevolgd door indijking, aan den gang. Met name is de Dollart door achtereenvolgende indijkingen zeer belangrijk in oppervlakte verminderd. Tot nu toe werd met de indijking gewacht tot de gronden door opslibbing, die veelal kunstmatig werd bevorderd, het peil van gemiddeld hoogwater nagenoeg hadden bereikt. Op deze wijze zijn polders met een kleilaag van enkele meters dikte ontstaan. Ten behoeve van den landbouw was een zoo dikke kleilaag niet voreiseht ; naar de tegenwoordige inzichten op landbouwgebied brengt groote dikte eener kleilaag zelfs nadeelon met zich mede. Wanneer met een minder dikke laag wordt volstaan, kan tot bedijking reeds worden overgegaan, wanneer de gronden nog bijv. 1 a 2 m 1 eneden hoogwater liggen, dus op voel vroeger tijdstip, waarbij de nieuwe polder wordt bemalen. De Dollart verkeert thans in oen stadium, waarin hij. zij het nog niet geheel, doch tenminste reeds voor de zuidelijke helft met vrucht kan worden ingedijkt. Bij de handhaving van de bestaande grenslijn, die met oen rechte lijn den Dollart in een groot Xodorlandsoh on oen klein Duitsch gedeelte verdeelt, is oen economische bedijking op Nederlandse!) gebied niet uit te voeren. Het is daarom nood­zakelijk de grens tussehen beide landen hier naar het Oosten te verschuiven, zoodanig, dat de geheele Dollart Nederlandse!) territoir wordt.

> De indijking van don Dollart, zij het, dat deze waarschijnlijk aanvankelijk tot ruim de helft der oppervlakte zal worden be­perkt, heeft door de vermindering van borging van vloedwater direct en invloed op het vermogen van de stroomen in de ge-ulen van de Eemsmonding. Deze indijking is een phase in den ont­wikkelingsgang van de Eemsmonding, die dooi' verdergaande achteruitgang van de bergingskom voor vloedwater zal worden gevolgd, langzame achteruitgang dooi' natuurlijke opzanding en aanslibbing met plostelinge stooten, wanneer tot verdere in­polderingen wordt overgegaan. Dit deels natuurlijke, deels kunstmatige proces gepaard aan het stellen van hoogere eischen voor de bevaarbaarheid met zee­schepen, maakt het noodzakelijk­een

plan te ontworpen, dat een enkelen, regelmatige», voldoend breeden en diepen vaarweg uit zee naar Delfzijl en Emden waarborgt. Deze vaarweg zal zee­waarts in afvoerend vermogen moeten aangroeien. Aan de Zuid­en Westzijde wordt de Eemsmonding in haar verbeterden vorm begrensd door den dijk langs do Nederlandsche provincie Groningen en don toekomstigen dijk langs den ingepolderde» Dollart; langs de Noord­en

Oostzijde moet een dam worden gelegd, die aan de Duitsche luist aansluit ongeveer bij de Knock on vandaal­door

den mond van het Oostfriesche Gaatje over de Paap en de Hond beoosten het Doekegat doorloopend. Do breedte tussehen dozen dam en den Groningschen dijk moot geleidelijk naar zoo grooter worden. Tussehen dezen dam en don Groningschen dijk moot dan oen enkele geul worden ge­vormd. Hierbij moet baggerwerk worden uitgevoerd en moeten stroomleidende werken worden aangelegd. Verder zal het wel­licht noodig zijn. dat de Eeius boven Einden nog door bagger­werk wordt verdiept om don intredende)) vloedstroom minder weerstand te bieden en zoo liet vermogen te vergrooten. Aan de uitwerking van dit plan zal nadere bestudeering en waarneming moeten voorafgaan. Opgemerkt zij nog. dat niet alleen do belangen van Delfzijl ertoe leiden do westelijke van do twee bestaande geulen te kiezen voor do blijvende richting van het vaarwater, doch dat ook uit rivierkundig oogpunt deze door don ebstroom gevormde geul als toekomstige eenige geul is aangewezen. In den zoo govormden tussehen twee dammen begrensden scheepvaart weg kan een evenwichtstoestand worden bereikt, die alleen regelmatig onderhoudsbaggerwerk op bescheiden schaal vereischt. Dit is echter niet ln-t geval op de plaats waar de rechterdam eindigt. Hier wordt naast het nieuwe Eemsbed een groote vloedbergingskom in stand gehouden, die voo) '

net meer zeewaarts gelogen gebied eenzelfde rol gaat spelen als tot nu too do Dollart vervulde. Ook hier zullen stroomverlammingen en onregelmatigheden optreden op do plaats, waar de verlengde Eems plotseling in een wijd lied komt. Bij het hiervoor bedoelde verbeteringsplan mooi nagestreefd worden bij de uitmonding van do verlengde Eems een zoodanige overmaat van diepte in de hoofdgeul te vormen, dat de drempels, die bier tengevolge van de onregelmatigheid in bol stroombeeld ontstaan, niet hinderlijk zijn voor do scheepvaart. De zak, die tussehen den aan te leggen dam on de Oostfriesche kust wordt gevormd, zal aanvankelijk door aanzanding in diepte snel afnemen en vervolgens langzamerhand opslibben. Met dit proces is een verloop van tientallen jaren gemoeid. Kunstmatig kan dit proces eenigszius worden versneld. Ook bier zal tenslotte inpoldering, niet alleen voor landaanwinning, maar evenzeer voor instandhouding van een goeden scheepvaartweg, noodig zijn. De verlenging van oen regelmatig rivierbed van de Koms in zeewaartsche richting is dus in do toekomst te voorzien. Duitschland heeft in het verleden steeds gebrek aan mede­werking getoond om gemeenschappelijk de vaart op Delfzijl en Emden te behartigen en heeft zich steeds de suprematie in dit mondingsgebied aangematigd, zulks alleen ter bescherming van de Duitsche militaire on handelsbelangen. Wil Nederland er van verzekerd zijn, dat met zijn belangen wordt rekening gehouden en dat een voor beide landen goede oplossing word! verkregen, dan is het noodig, dat de Eems­monding van do plaats, waar voor de vorming van een enkele Bcheepvaartgeul langs Delfzijl een dam moet aansluiten aan do Oostfriesche kust. niet in Duitsche handen blijft, doch Neder­landsch wordt. Hierdoor zal de bruikbaarheid van do rivier­monding zoowel voor de Nederlandsc-he als voor do Duitsehe belangen verzekerd worden.

Handelingen der Staten-Generaal. Bijlagen. 194G—1947.