203.

2-3.

Tijdelijke maatregelen ter bevordering van eene zooveel mogelijk evenredige vraehtverdeeling in de binnenscheepvaart.

daartegen binnen twee weken nadat de beslissing is genomen, schriftelijk in beroep komen bij den Raad van Beroep voor Bevrachtingszaken. Het beroep houdt eene omschrijving in van de tegen de beslissing bestaande bezwaren. Van beroep zijn uitgesloten beslissingen nopens bevrachtingsovereenkomsten, geldende voor één bepaalde reis. 2. De Eaad van Beroep bestaat uit vijf leden, te benoemen door den met de uitvoering van deze wet belasten Minister. 3. De Raad van Beroep beslist met ten minste drie leden. Beslissingen worden door den Raad genomen bij meerderheid van stemmen. Bij staking van stemmen heeft de voorzitter de beslissende st-em. 4. De leden van den Raad ontvangen vergoeding voor reis­en verblijfkosten. Bovendien kan aan de leden eene vergoeding voor tijdsverzuim worden toegekend. 5. De Raad van Beroep geeft van de ingekomen voorziening in beroep kennis aan de Commissie, welke de beslissing nam.

Artikel 9. 1. De Raad van Beroep beslist ten spoedigste op het beroep, zoo noodig na verhoor van den bezwaarde en van de Commissie, welke de beslissing nam. Hij bekrachtigt of vernietigt de be­slissing der Commissie en draagt in het laatste geval aan deze op, de zaak met inachtneming zijner beslissing af te doen. 2. De Raad zendt bij aangetcekenden brief afschrift van zijn beslissing aan hem, die in beroep kwam, en aan de betrokken Commissie.

Artikel 10. 1. Ter bestrijding van kosten, aan de uitvoering dezer wet verbonden, wordt door de Bevrachtingscommissie terzake van elke door hare tussehenkomst gesloten of door haar goedge­keurde bevrachtingsovereenkomst van den vervoerder een ver­goeding geheven ten bedrage van ten hoogste 2 procent van den bedongen vrachtprijs, en bovendien terzake van de door hare tussehenkomst gesloten bevrachtingsovereenkomsten de ter plaatse gebruikelijke scheepsbevrachtingsprovisie van ten hoogste 5 %, die, indien van de bemiddeling van een scheepsbevrachter is gebruik gemaakt, aan dezen ten goede komt. 2. Van het door haar gevoerd beheer over de in dit artikel bedoelde gelden zijn de Bevrachtingscommissies rekening en verantwoording schuldig aan den met de uitvoering van deze wet belasten Minister.

Artikel 11. 1. Overtreding van het bepaalde in artikel 7, eerste lid, wordt gestraft met een geldboete van ten hoogste duizend gulden. 2. Het feit wordt beschouwd als eene overtreding. 3. Indien de overtreding is gepleegd door of vanwege eene naamlooze vennootschap, eene coöperatieve of andere rechts­persoonlijkheid bezittende vereeniging of eene stichting wordt de strafvervolging ingesteld en de straf uitgesproken tegen de leden van het bestuur. Geen straf wordt uitgesproken tegen hem, van wien blijkt, dat de overtreding buiten zijn toedoen is ge­pleegd.

Artikel 12. Met het opsporen van overtredingen dezer wet zijn, behalve de bij artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering aange­wezen personen, belast de leden en secretarissen der Bevrach­tingscommissies, ieder voorzooveel het district zijner Commissie betreft.

Artikel 13. Deze wet treedt in werking met ingang van den dag, volgende op dien harer afkondiging.

liasten en bevelen, dat deze in liet Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministerieele Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

De Minister van Economische

Zaken en Arbeid,

203. 3. MEMORIE VAN TOELICHTING.

§ 1. De toestand in de particuliere

binncnschipperij.

Reeds geruimen tijd verkeert de binnenschipperij in een zeer ernstigen toestand. Het onderzoek, ingesteld door de Commissie tot onderzoek van den economischen toestand der binnenschip­perij, heeft uitgewezen, dat de bedrijfsuitkomsten reeds in 1930 over het algemeen slecht en in 1931 zelfs zeer slecht zijn ge­weest, terwijl in het loopende jaar de toestand nog verergerd is. Eensdeels heeft het bedrijf te lijden onder omstandigheden, die als van blijvenden aard kunnen worden beschouwd, zooals de concurrentie van het auto-vervoer, anderdeels doet de invloed van de algemeene economische crisis zich in dit bedrijf in zeer sterke mate gevoelen. Eene beschouwing van de factoren van meer permanente beteekenis is slechts mogelijk in verband met andere middelen van vervoer. Het geheele vervoerwezen heeft in de laatste jaren structuur-veranderingen ondergaan, welker beteekenis waarschijnlijk nog niet geheel kan worden overzien. Eene diepgaande studie van het geheele ingewikkelde vervoer­vraagstuk ontbreekt vooralsnog; ook de Staatscommissie voor het Vervoer heeft daarvan blijkens haar eerste rapport voor­loopig afgezien en er de voorkeur aan gegeven in de eerste plaats hare aandacht te wijden aan enkele concrete problemen van dringenden aard. Doch ook zonder deze studie is het duidelijk, dat men zich bij alle maatregelen, welke men zich voorstelt in verband met den huidigen crisistoestand te nemen in het belang van de binnenschipperij, voor oogen moet houden, dat deze maatregelen geenszins de strekking mogen hebben tot vroegere toestanden en verhoudingen op vervoergebied terug te keeren. Ook op dit gebied laten zich de wijzers van de klok niet terug­zetten. Men zal ten volle rekening moeten houden met hetgeen in de laatste jaren in het vervoerwezen gegroeid is.

Toch, met volle waardeering van de voor het schippersbedrijf nadeelige factoren, die als van duurzamen aard zijn te beschou­wen, valt het niet te ontkennen, dat dit bedrijf nog steeds een onontbeerlijk onderdeel van het vervoerwezen is en dat het door de algemeene economische crisis wel zeer sterk is geteisterd. Van een eenigszins loonend bedrijf van den particulieren schip­per, voor zoover deze aan de beurs of bij scheepsbevrachters lading moet zoeken, is reeds lang geen sprake meer. In zeer vele gevallen ontbreken niet alleen de middelen voor rentebeta­ling en aflossing van hypotheken, voor voldoening van assurantie­premie en voor onderhoud, doch kan het bedrijf zelfs niet in het noodzakelijk levensonderhoud van den schipper en zijn gezin voorzien. De scheepsvrachten zijn gedaald tot een zóó laag peil, dat zij, na aftrek van de noodzakelijke vaarkosten, geen be­staansmogelijkheid voor het grootste deel der schippers laten. Zooals reeds werd opgemerkt, kunnen structuur-veranderingen daaraan mede schuld zijn, doch het behoeft geen betoog, dat de economische crisis door de ineenschrompeling van het vervoer in het algemeen eene sterke wanverhouding heeft doen ontstaan tusschen de beschikbare lading en het geheele vervoerapparaat, eene wanverhouding, die in de binnenvaart verwoestend werkt. Het is de plicht der gemeenschap, voor zoover zulks in haar vermogen ligt, die verwoestende werking, welke een niet onaan­zienlijk gedeelte van onze kapitaalgoederen met vernietiging en een nijver volksdeel met ondergang dreigt, tegen te gaan.

§ 2.

Vraehtverdeeling.

Het is der Regeering niet gegeven aan de genoemde wanver­houding een eind te maken. Zij kan niet, zonder andere belangen te benadeelen, wijziging brengen in de verdeeling van het ver­voer over de verschillende middelen, die dit vervoer bewerk­stelligen. Zulk eene wijziging zou ook in vele gevallen onecono­misch en derhalve verwerpelijk zijn. Zij kan ook het apparaat niet verkleinen, noch tijdelijk door oplegging met Rijkssubsidie,