Bijlage D. 4 2 7 . 4.

Onderwijsverslag 1929—1930. (Lager onderwijs.)

T w e e d e

K a m e r ,

161

tijd heeft gebracht, en deze zal moeten doen uitvoeren door onderwijzend personeel, dat persoonlijk niets of weinig voor de nieuwe leerwijze voelt, althans minder dan de oorspronkelijke proefnemer. Daarom lijkt mij nog in vrij verre toekomst het Montessori­, Dalton­en

persoonlijkheidsonderwijs bestemd om als uitzonderingen in den grooten kring van het lager onderwijs zich met een kleine plaats te moeten vergenoegen."

In de inspectie Hilversum vindt men van al het nieuwe het beste en in beduidende mate. De inspecteur, die er dagelijks mee in aanraking komt, is er vol van. Ik citeer uit zijn verslag, dat — wijl het zijn laatste jaarverslag zal zijn, nu hij bijna 30 jaar het schooltoezicht heeft uitgeoefend, en zich nog vol­komen „fit" voelt — een weemoedigen toon heeft, het gedeelte, dat aan al dit nieuwe is gewijd: „Ook in de inspectie Hilversum is in meerdere of mindere mate geofferd aan den Moloch van het nieuwe. Er bestonden 3 Montessorischolen, waarvan één, nl. de St. Michaelisschool te Valkeveen, in 1929 werd opgeheven, omdat het getal leerlingen te klein werd om de kosten van instand­houding te kunnen dragen. Die te Bussum en Hilversum daarentegen gaan gestadig vooruit in leerlingental, die te Bussum wordt reeds door meer dan 100 leerlingen bezocht. Tot nu toe was deze school gevestigd in enkele lokalen eener openbare school; thans wordt er een nieuwe school gebouwd met 5 lokalen, waarbij ik, om te kunnen voldoen aan de wenschen van het bestuur, krachtens het bepaalde in art. 20 van het Bouwbesluit, ontheffing heb moeten verleenen van verschillende daarin genoemde eischen, welke zij noodig achten, om dat onder­wijs te kunnen geven. Hetzelfde geldt voor de. Humanitaire school (de nieuwe school) te Huizen. Deze school (niet te verwarren met de Humanitaire school te Laren van de Internationale Broeder­schap) werd voor enkele jaren opgericht en had den eersten tijd geen Rijkssubsidie. Toen evenwel de Pythagorasschool van „de Ster van het Oosten" te Ommen grootendeels naar Huizen (Valkeveen) werd overgeplaatst en het hoofd der afdeeling voor lager onderwijs werd aangesteld tot hoofd der „Nieuwe school" vermeerderde het aantal leerlingen en klom tot plus minus 70. Er werd een internaat aan verbonden, hetwelk stond onder leiding van het hoofd der school (den heer de Vries) en diens gade. Het bestuur vroeg nu de Rijksbijdrage en verkreeg daarbij de ontheffing, bedoeld in art. 90, alinea 6, der Lager-onderwijs­wet 1920. Gevolg van de uitbreiding was, dat het bestaande gebouw onvoldoende was en een nieuw gebouw werd aangevraagd van de gemeente Huizen. De raad weigerde de gevraagde gelden voor den bouw op grond van het feit, dat de kinderen reeds geplaatst waren op een bijzondere school. Door Gedeputeerde Staten en later door de Kroon werd dit raadsbesluit vernietigd en der gemeente gelast voor schoolruimte te zorgen. Thans kwam de raad, die juist groote bezuinigingen had aangebracht, om de begrooting sluitend te krijgen, met het voorstel een gedeelte der openbare school, waarvan eenige lokalen niet gebruikt wor­den voor het lager onderwijs, af te staan aan de vereeniging. Deze had daartegen overwegende bezwaren, omdat deze school in het dorp Huizen staat, waar geen kinderen zijn, die naar de „Nieuwe school" gaan, welke allen in de buurt van Valkeveen wonen. In overleg met mij is eindelijk besloten te bouwen. Toen kwam echter het bezwaar, hoe groot de school moest zijn. Het bestuur kwam eerst met een plan, zóó grootsch, dat er geen sprake van was, dat dit kon worden goedgekeurd. Thans is een plan ont­worpen, waardoor de school 4 klasselokalen krijgt, waarbij be­paald is, dat ze niet meer mogen kosten dan 3 gewone lokalen. Ook voor dit gebouw heb ik, evenals voor de Montessori-school te Bussum, ontheffing moeten verleenen van verschillende be­palingen van het Bouwbesluit. Het aantal leerlingen dezer school is echter belangrijk gedaald. Op deze school wordt het Dalton-stelsel toegepast. Naast deze school bestond tot 1 Juli 1929 te Valkeveen nog de St. Michaelstichting te Valkeveen, een Montessori-school vcor lager en voorbereidend lager onderwijs. Deze school had geen Rijkssubsidie. Les werd gegeven op het landgoed van mevrouw van Eeghen te Valkeveen, waarop ook de tempel van „de Ster van het Oosten" staat, in een idyllisch gelegen en keurig als salon ingericht lokaal. Hier werd de Montessori-methode streng toe­gepast.

Doordat het aantal leerlingen ook hier daalde en doordien het hoofd der school (mejuffrouw Frijling) naar Italië vertrok­, werd de afdeeling lager onderwijs dezer school 1 Juli j.1. opge­heven.

De kinderen werden door de ouders, die volbloed Montes­sorianen waren, overgeplaatst naar de Montessori-school te Bussum, terwijl een jjaar overgingen naar de „Nieuwe school". De Montessori-school te Hilversum verkreeg in 1929 een nieuw gebouw en is thans keurig gehuisvest in een villa aan den Middenweg. Het aantal leerlingen is stijgende, maar nog niet | groot genoeg om voor een gemeente als Hilversum voor een Rijkssubsidie in aanmerking te kunnen komen. Hetzelfde geldt van de school voor „Individueel onderwijs" van mevrouw Wal­dorp van der Togt aan de Curacaolaan te Hilversum. Deze school geeft zg. „individueel onderwijs" en volgt daarbij een gewijzigd Daltonstelsel, d. w. z. de „taken" worden slechts in beperkte mate toegepast. Grondgedachte is hier: „de ontwik­keling van het kind zóó te leiden, alsof de school voor dat kind speciaal bestond, zoodat het niet geremd of opgejaagd kan worden door andere leerlingen, waarmede het in zijn ontwik­keling gelijken tred moet houden". De leerlingen wordten verdeeld naar leeftijd en ontwikkeling: in de verschillende lokalen zitten dus bijeen de oudste verst­gevorderde, of de jongste of de middelgroep. De vcrdeoling is niet altijd gelijk; het kan zich voordoen, dat op bepaalde uren enkele kinderen met de andere groep meedoen. Hieruit blijkt reeds, dat het onderwijs niet streng individueel is, zooals de naam der school en ook het prospectus zou doen vermoeden. De schooltijden zijn 's ochtends van 9—12 en Dinsdag en Donderdag des middags van 2—4 uur. Maandags blijven de leerlingen na twaalven op school voor de gemeenschappelijke koffietafel, huishoudelijk werk en tuinarboid tot kwart vóór 3. De Dinsdagmiddag is in hoofdzaak bestemd voor handenarbeid; de Donderdagmiddag in het winterhalfjaar voor lichtbeelden, des zomers voor openluchtspel. Voor de gewone vakken van lager onderwijs blijven derhalve alleen beschikbaar de morgenschooltijden. Het valt moeilijk om over de resultaten van het onderwijs een juist oordeel te vellen, omdat er veel kinderen worden ge­plaatst, die op andere scholen „verongelukt" zijn, zoodat het materiaal, waarmede gewerkt moet worden, niet schitterend is. Het Daltonstelsel wordt in deze inspectie op geen enkele? openbare school toegepast; wel op verschillende bijzondere scholen (de school der Hilversumsche Schoolvereeniging, de Humanitaire scholen te Huizen en Laren, de Warinsehool te Nederhorst den Berg en in enkele klassen der Gooische school te Laren). De resultaten zijn over het algemeen niet ongunstig en zoowel onderwijzers als leerlingen vinden het werken volgens dit stelsel prettig. Het bevordert de zelfwerkzaamheid; de vluggen voelen, dat ze kunnen „opschieten" en behoeven niet te wachten op de tragen, zooals bij het klassikaal onderwijs vaak noodig is, terwijl bij de minder vluggen niet het gevoel van minderwaardigheid zoo sterk op den voorgrond treedt. Het eischt echter van de leer­krachten veel inspanning en toewijding; niet alleen, dat ze ge­durende de les steeds in actie moeten zijn, maar ook het maken der „taken" en de correctie van het vele schriftelijke werk eischt veel meer tijd dan het gewone klassikale onderwijs. Zoolang dit onderwijs wordt gegeven door menschen, die er zich met hart en ziel aan wijden en zich er geheel aan geven, zullen de resultaten wel goed blijven, maar zoodra dit het geval niet meer is, schijnt het mij toe, niet meer te kunnen concur­reeren met het klassikale onderwijs. Dat zelfde geldt m. i. in nog sterkere mate van het Montessori • onderwijs. Hier staat nog veel meer de zelfwerkzaamheid en vooral de vrijheid van den leerling op den voorgrond. Men kent daar dan ook geen onderwijzers, maar spreekt van leiders en leidsters. Geen tucht en straf in den gewonen zin van deze woorden; geen onderwijzen, maar slechts opwekken van de sluimerende vermogens van den leerling en het geven van leiding. De leerling moet actief zijn, terwijl de activiteit van den leider zoo weinig mogelijk openbaar moet worden. Tucht moet voortvloeien uit de liefde tot den arbeid; het kind moet werken om den arbeid en niet om het doel. In de keuze van het werk wordt het kind zooveel mogelijk vrij gelaten; alleen als de belangstelling zich al te eenzijdig richt op één vak, tracht de leider(ster) de leerling te bewegen tot een wijziging in zijn arbeid. Doordat het kind in de keuze van zijn werk vrij wordt

Handelingen der Staten-Generaal. Bijlagen. 1930—1931.

11