Het kabinet acht het betrachten van zoveel mogelijk openbaarheid, ook tijdens kabinetsformaties, een groot goed, zij het dat ook een zekere marge van vertrouwelijkheid noodzakelijk zal zijn. Met deze aanbeveling van de commissie stemt het kabinet in. Daarbij wordt opgemerkt dat de kabinets-formateur niet een overheidsorgaan is in de zin van artikel 1, eerste lid van de Wet openbaarheid van bestuur. Overigens geldt dat, voorzover het handelt om informatie die door het demissionaire kabinet aan de formateur wordt verschaft, het regiem van de Wet openbaarheid van bestuur van toepassing is. De commissie doet de aanbeveling de regeerakkoorden beknopt van inhoud te doen zijn en aan de vaststelling daarvan ook de kandidaat-ministers, die zich immers voor de uitvoering van dat akkoord geplaatst zullen zien, een bijdrage te laten leveren. Het kabinet onderschrijft de intentie van deze aanbeveling. Met betrekking tot de aanwijzing van staatssecretarissen signaleert de commissie dat het meer en meer voorkomt dat tussen fractievoorzitters en (in)formateurs ver gaande afspraken worden gemaakt over staatssecretariaten en de aan staatssecretarissen toe te bedelen taken. De commissie meent dat deze praktijk op gespannen voet staat met artikel 46, tweede lid, van de Grondwet, waarin bepaald wordt dat een staatssecretaris in de gevallen waarin de minister dit nodig acht en met inachtneming van diens aanwijzingen in zijn plaats als minister optreedt. Met name de inhoudelijke invulling van de staatssecretariaten voordat de personen van de kandidaat-ministers bekend, laat staan benoemd zijn, acht de commissie inconstitutioneel. Het kabinet onderschrijft in beginsel de aanbeveling van de commissie dat kandidaat-staatssecretarissen eerst na benoeming van de ministers aangezocht dienen te worden, terwijl tijdens de formatie geen verdergaande afspraken dienen te worden gemaakt dan over de zogenaamde politieke verdeling van de staatssecretariaten. Een laatste aanbeveling van de commissie betreft de aanbeveling dat uiterlijk binnen 14 dagen na de datum van het optreden van het nieuwe kabinet in de Tweede Kamer een regeringsverklaring wordt afgelegd. Het kabinet onderschrijft de in deze aanbeveling neergelegde intentie, dat zo snel mogelijk na de totstandkoming van het nieuwe kabinet, dit zijn beleid aan de Kamer en de kiezers presenteert.

2.4.4. Vervroeging van het tijdstip van de periodieke kamerverkiezingen

De commissie doet de aanbeveling de periodieke Tweede Kamerverkie-zingen niet in de maand mei, maar tenminste twee maanden eerder (tweede helft maart) te doen plaatsvinden. Dit zou het mogelijk maken dat, indien de kabinetsformatie niet te lang zou duren, het nieuw optredende kabinet nog de belangrijkste beslissingen kan nemen ten aanzien van de begroting voor het komende dienstjaar. De commissie meent dat dit voor het nieuwe kabinet zodanig aantrekkelijke kanten heeft, dat hierdoor druk op de onderhandelende partijen komt te staan met als gunstig effect enige verkorting van het formatieproces. Deze aanbeveling van de commissie is reeds ter sprake gekomen bij het thans in de Tweede Kamer in behandeling zijnde wetsontwerp tot wijziging van de Kieswet en enige andere wetten betreffende het tijdstip van de verkiezing en de eerste samenkomst van vertegenwoordigende organen. In de memorie van antwoord bij dit wetsontwerp, heeft de regering in antwoord op in het voorlopig verslag8 gestelde vragen geantwoord dat dit voorstel van de staatscommissie serieuze overweging verdient. Bij brief van 18 mei jl. heeft de tweede ondergetekende de Kiesraad, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en het Interprovinciaal Overleg advies gevraagd over een eventuele wijziging van dit wetsontwerp in verband met dit voorstel van de staatscommissie. De aan deze instanties voor advies voorgelegde wijziging hield in: -de Tweede-Kamerverkiezingen zullen plaatsvinden op de woensdag « Kamerstukken il 1983-1984,18179, nr. 4.

tussen 2 en 8 maart (kandidaatstelling op de dinsdag tussen 18 en 24

Tweede Kamer, vergaderjaar 1984-1985, 18807, nrs. 1-2

14