De tweede volzin van het derde lid van artikel 18 bepaalt dat het verzet tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel bovendien niet kan zijn gegrond op het verweer dat de belastingaanslag ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld. Deze bepaling is opgenomen om dubbele procedures over de hoogte van de belastingaanslag te voorkomen. Tegen aanslagen, navorderingsaanslagen en naheffingsaanslagen staan immers reeds in de heffingssfeer rechtsmiddelen open. Met betrekking tot voorlopige aanslagen zelve staan in de heffingssfeer weliswaar geen rechtsmiddelen open, doch ook daarbij geldt dat de hoogte van de belastingschuld in de heffingssfeer aan de orde kan komen, zij het door middel van het aanwenden van de rechtsmiddelen tegen de aanslag waarmee de desbetreffende voorlopige aanslag wordt verrekend. Deze rechtsmiddelen kunnen derhalve niet -of niet opnieuw -worden aangewend in een verzetsprocedure tegen de tenuitvoerlegging van het dwangbevel. Er kunnen zich echter omstandigheden voordoen waarin de tenuitvoerlegging van een dwangbevel ter zake van een belastingaanslag die weliswaar in formele zin op de juiste wijze is vastgesteld, doch ten aanzien waarvan op zijn minst twijfel mogelijk is of die aanslag wel in overeenstemming is met de materiƫle belastingschuld, strijd oplevert met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Onder zulke omstandig-heden had de ontvanger in redelijkheid niet tot de tenuitvoerlegging mogen overgaan. In dergelijke situaties kan wel verzet worden gedaan. Wij verwijzen in dit verband naar Hoofdstuk IV van het algemene gedeelte van deze memorie. Voor alle duidelijkheid merken wij op dat de in artikel 18 geregelde verzetsprocedure uitsluitend voor de belastingschuldige zelf geldt, alsmede ingevolge artikel 53, derde lid, voor de aansprakelijk gestelde. Derden -anderen dan de belastingschuldige of de aansprakelijk gestelde -zullen verzet tegen de tenuitvoerlegging van het dwangbevel te hunnen aanzien moeten doen op grond van andere wettelijke bepalingen. In de gevallen waarin beslag op roerende goederen is gelegd, kunnen derden verzet doen op de voet van artikel 456 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en artikel 23. Betreft het beslag op onroerende goederen, dan dient verzet te worden gedaan op de voet van de artikelen 538 t/m 543 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

Artikel 19

Artikel 19 is ontleend aan artikel 15quater van de Invorderingswet 1845. Indien beslag op roerende goederen wordt gelegd, moet een bewaarder over die goederen worden aangesteld (artikel 450, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). De bewaarder is onder andere verplicht voor het behoud van de in beslag genomen goederen zorg te dragen als een goed huisvader, terwijl de beslaglegger verplicht is aan de bewaarder een bepaald loon te betalen (artikel 1776, tweede lid, onderscheidenlijk vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek). Als bewaarder kan ook worden aangesteld degene tegen wie het beslag is gedaan, mits die persoon daarin bewilligt (artikel 450, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). Teneinde zoveel mogelijk op de kosten van bewaarloon te besparen -hetgeen in het belang is van de belastingschuldige -is in artikel 19 aan de belastingdeurwaarder de bevoegdheid toegekend de belastingschuldi-ge-beslagene zelf als bewaarder over zijn eigen goederen aan te stellen, ook indien hij daarin niet wil bewilligen.

Artikel 20

Artikel 20 is ontleend aan de artikelen 7 en 7bis van de Invorderingswet 1845.

Tweede Kamer, vergaderjaar 1987-1988, 20 588, nr. 3

54