Mensenrechten

Bij de Memorie van Beantwoording is eene Nota van Wijzigingen gevoegd, volgens welke de slavernij niet zal afgeschaft worden op 1 Julij, maar op 1 October 1863. Ik wenschte van den Minister te mogen vernemen in hoe ver dat oogenblik van hervatte werkzaamheden na den regentijd, die gewoonlijk in Augustus ophoudt, daartoe geschikt is. De Regering meende vroeger dat 1 Julij daarom een gunstig tijdstip was, omdat alsdan de eigenaars de werkkrachten minder noodig hebben.

Aldus sprak de heer Elout van Souterwoude (Handelingen Tweede Kamer 1861-1862 03 juli 1862)

Afschaffing van de slavenhandel

In 1814 vaardigt Koning Willem I een Koninklijk Besluit uit om de verkoop van slaven aan zijn onderdanen te verbieden. Engeland heeft deze handel al verboden en zet Willem onder druk om zo de concurrentiepositie van haar eigen inwoners te waarborgen. Willem I besluit hiertoe zonder overleg met het parlement. Tot 1848 is het gebruikelijk dat de koning met vreemde naties onderhandelt zonder inmenging van het parlement. Willem I tekent in 1818 een verdrag met Engeland om illegale slavenhandel op te sporen en te bestraffen. Hier is ook een nationale strafwet voor nodig. De nieuwe wet wordt in Brussel door het parlement behandeld. (12 november 1818).

De Tweede Kamer in 1815

Afschaffing van de slavernij

1862: De wet om de slavernij in Suriname en de Nederlandse Antillen op te heffen wordt aangenomen. De behandeling van het ontwerp gaat gepaard met een debat over het begrip vrijheid in de Tweede Kamer. Ook over nazorg wordt uitgebreid gesproken. Slaven op de Antillen zullen zonder beperkingen worden vrijgelaten. Er wordt vanuit gegaan dat om aan goederen te kunnen komen, voormalige slaven geen andere keus zullen hebben dan in loondienst te gaan.

Slaven in Suriname

In Suriname ligt dat anders. Daar is men bang dat de slaven na hun vrijlating niet willen werken en het bos in zullen vluchten om daar in hun eigen onderhoud te voorzien. Er wordt besloten de slaven in Suriname onder staatstoezicht te stellen, ook in verband met het behoud van de suikerproductie. De dag van de Emancipatie, 1 juli 1863, is de dag waarop de slaven hun vrijheid krijgen. Het uur van de vrijheid wordt in Paramaribo en op de Antillen met kanonschoten aangekondigd. In Suriname volgt een feest van vijf dagen vol met dankdiensten, vieringen en danspartijen. Op de zesde dag moet er weer gewerkt worden zodat de onder staatstoezichtgestelden het werkritme niet ontwennen.

Afschaffing van de doodstraf

De doodstraf in het gewone strafrecht wordt in 1870 vervangen door de levenslange tuchthuisstraf. Dit wordt vastgelegd in een nieuwe wet, ingevoerd door minister van Lilaar. In het militaire strafrecht en het oorlogsstrafrecht blijft de doodstraf bestaan totdat in 1983 Grondwettelijk bepaald wordt dat de doodstraf niet mag worden opgelegd(artikel 114). Met ingang van 1991 verdwijnt de straf helemaal uit de wet. De laatste executie voor een misdrijf gepleegd in vredestijd wordt in Maastricht in1860 voltrokken. Voor een misdrijf in oorlogstijd is dat in 1952.

De afschaffing der doodstraf zoude eene overwinning der beschaving zijn, eene handeling der Nederlandsche natie waardig.

(Kamerstuk Tweede Kamer 1866-1867 kamerstuknummer 1 IV A ondernummer 10)

Onderwijs

In het begin van de negentiende eeuw zijn de onderwijsvoorzieningen in Nederland relatief goed vergeleken met andere Europese landen. Elke gemeente heeft een openbare school waar onderwijs voor arme kinderen gratis is. In deze tijd staat ongeveer vijftig procent van de kinderen op een school ingeschreven. Het merendeel van de andere helft heeft één of meerdere jaren van zijn/haar leven onderwijs genoten. Omdat van veel kinderen wordt verwacht dat zij, als zij ouder worden, ook een bijdrage aan de kostwinning leveren, is er niet voor iedereen tijd om onderwijs te genieten. Als de industrialisering Nederland bereikt, gaan kinderen in fabrieken werken.

Het is verboden een kind beneden twaalf jaren arbeid te doen verrichten.

(Kamerstuk Tweede Kamer 1888-1889, kamerstuknummer 53, ondernummer 2)

Verbod op kinderarbeid

In de jaren vijftig van de negentiende eeuw roepen steeds meer mensen op om kinderen te beschermen. De regering stelt in 1860 een onderzoek in naar kinderarbeid in de industrie. De regering vindt het rapport niet overtuigend genoeg. Veel fabrieken blijken zelf maatregelen te nemen. Onder druk van schrijvers, dokters, onderwijzers en fabrikanten komt er een paar jaar later een nieuw onderzoek. Na zes jaar geeft het eindrapport van dit onderzoek ook geen alarmerend beeld weer. Armoede blijkt de grootste oorzaak van kinderarbeid. Bij een verbod op het werken in fabrieken zal een kind ergens anders moeten werken. Controle op de situatie waar het dan in terecht komt, zou nog veel ingewikkelder zijn.

Kinderwet van Van Houten

Toch laat men het onderwerp niet rusten. Omdat de regering geen initiatief neemt doet Samuel van Houten dat in 1873 door een voorstel in te dienen. Er zijn twee opvallende onderdelen. Het eerste was een algemeen verbod om kinderen jonger dan twaalf jaar in dienst te nemen. Daarnaast mogen gemeenten bepalen of ze een leerplicht in stellen voor kinderen van acht tot twaalf jaar. Uiteindelijk blijft er weinig over van het oorspronkelijke voorstel. Het wordt een verbod op kinderarbeid in werkplaatsen en fabrieken. In 1874 wordt de Kinderwet van Van Houten aangenomen. Het is de eerste sociale wet van Nederland. Omdat er zo weinig overbleef van het aanvankelijke voorstel van Samuel van Houten wordt het spottend het Kinderwetje genoemd.

Ik herhaal het nogmaals: regeling van den kinderarbeid en leerpligt acht ik onafscheidelijk. Eene andere vraag, Mijnheer de Voorzitter: is die regeling thans reeds mogelijk ? Zijn wij er rijp voor? Ik vrees tot mijn leedwezen, neen. De tijd is nog niet daar.

(Handelingen Eerste Kamer 1873-1874 30 juni 1874)

Leerplichtwet

De wet lijkt te werken voor fabrieken; in de nijverheid werken nog steeds veel kinderen. Toch beginnen steeds meer ouders ervoor te kiezen hun kinderen naar school te sturen. Door de toenemende welvaart komt er langzamerhand een einde aan kinderarbeid. In 1889 wordt de Arbeidswet ingevoerd maar, pas met de invoering van de Leerplichtwet in 1901 wordt ook de kinderarbeid op het platteland uitgeroeid. Na schooltijd verrichten veel kinderen nog steeds arbeid. Na de Tweede Wereldoorlog neemt deze gewoonte af door de sterke stijging van de welvaart.

Emancipatie van de vrouw

Thorbecke geeft Aletta Jacobs in 1871 toestemming om zich in te schrijven aan de universiteit van Groningen. Vanaf dat moment beginnen de inschrijvingen van vrouwen op universiteiten op gang te komen.

Aan het einde van de negentiende eeuw is stemrecht gebonden aan het inkomen. Op basis van haar inkomen als arts probeert Aletta zich als kiezer in te schrijven in 1884. In de Grondwet staat op dat moment nergens dat vrouwen niet mogen stemmen. Toch wordt ze geweerd. Bij de Grondwetsherziening van 1887 wordt dit rechtgezet. Stemrecht is nu ook bij wet alleen voorbehouden aan mannen. Het passief vrouwenkiesrecht wordt in 1917 ingevoerd. Dit houdt in dat vrouwen in de volksvertegenwoordiging gekozen kunnen worden. Het jaar daarna ondertekent Koningin Wilhelmina de wet die mannen en vrouwen gelijke stemrechten toekent.

Opheffing handelingsonbekwaamheid

Vanaf 1920 krijgen vrouwen langzaam aan meer mogelijkheden. Zo mogen zij opleidingen volgen en betaalde banen aannemen. Toch blijft hun voornaamste lotsbestemming echtgenote en moeder. Haar bezigheden mogen niet ten koste gaan van deze belangrijke taken. Een vrouw die trouwt bezit nauwelijks zeggenschap. Als een vrouwelijke ambtenaar in het huwelijk treedt, volgt er ontslag. Tot en met 1956 wordt een vrouw, zodra ze getrouwd is, als handelingsonbekwaam bestempeld. Ze komt onder de macht van haar man te staan en mag niets meer zelf beslissen.

Op 1 januari 1957 treedt de ‘Wet tot opheffing van de handelingsonbekwaamheid van de gehuwde vrouw’ in werking. Vrouwen kregen meer en meer de kans om een zelfstandige carrière op te bouwen. Later zijn zij ook niet meer verplicht de naam van hun man aan te nemen en mogen ze de eigen nationaliteit behouden als ze met een buitenlander trouwen.

Bij de procedure, die ik zooeven vermeldde, had de advocaat-generaal van Maanen o.a. als argument voor de afwijzing van het verzoek van dr. Aletta Jacobs aangevoerd: Hoe zou men onder ingezetenen ook vrouwen kunnen verstaan? Dan zouden, volgens art. 177, waarin staat, dat alle ingezetenen de wapenen moeten dragen, de vrouwen ook de wapenen moeten dragen.

(Handelingen Tweede Kamer 1918-1919 08 mei 1919 91ste Vergadering)

Handelingen

Literatuur

  • Boon, P.J.: Zonder voorafgaand verlof. De vrijheid van meningsuiting in het Nederlandse recht. Derde druk. Nijmegen, 1983.
  • Emmer, P.C.: De Nederlandse slavenhandel 1500-1850. Tweede druk. Amsterdam, 2003.
  • Horst, H. van der: Een bijzonder land. Het grote verhaal van de vaderlandse geschiedenis. Tweede herziene druk. Amsterdam, 2009.
  • Loo, V. van de: De vrouw beslist. De tweede feministische golf in Nederland. Wormer, 2005.
  • Schenkeveld, W.: Het Kinderwetje van Van Houten. Sociale wetgeving in de negentiende eeuw. Hilversum, 2003.
  • Willemsen, G.: Dagen van gejuich en gejubel. 1 juli 1863: afschaffing van de slavernij in Nederland, Suriname en de Nederlandse Antillen. Den Haag, 2006.