Tel 86.

327

Tweede Kamer.

14de VERGADERING. — 3 NOVEMBER 1926.

68. Wetsontwerp tot goedkeuring van het Nederlandsen-Belgisch verdrag.

(Kortenhorst.)

tusschen Februari 1919 en Maart 1920, ook al kunnen wij deze periode niet geheel wegdenken. Ik wil mij echter — hoe moeilijk mij dit ook valt — trachten te verplaatsen in den gedachtengang mijner geachte medeleden, die van oordeel zijn, dat de veelbewogen periode van Februari 1919 tot Maart 1920 wel degelijk van groote, ja van beslissenden invloed is bij het bepalen van hun stem. Laat mij, om elk misverstand te voorkomen, vooraf verklaren, dat ik, met den heer Vliegen, eerbied heb voor de meening van hen, die het adagio „een man, een man, een woord, een woord" ook durven herhalen, wanneer het schijnen mocht, dat het landsbelang, in engeren zin genomen, op een bepaald oogenblik door het verzaken van een eens gegeven woord zou worden gediend. Er bestaat echter een soort heroïsme, dat men ook met het woord „bravoure" zou kunnen aanduiden, een bra-voure, waarvan onze vaderlandsche geschiedenis verhaalt, toen admiraal Tromp den Spanjaarden munitie aanbood, om hun gelegenheid te geven, zich in de open zee met zijn strijdkracht te meten. Laat mij aanstonds zeggen, dat de Minister niet op dit bravoure-standpunt staat. Zijn Excellentie heeft in 1925 den ouden grondslag der in 1920 beëindigde onderhandelingen op-nieuw aanvaard, omdat hij van oordeel is, dat de omstandig-heden van 1919 en 1920 op geenerlei wijze een ongeoorloofden druk op de Nederlandsche afgevaardigden hebben geoefend. Op bladz. 8 van de tweede Memorie van Antwoord zegt de Minister: ,,De opvatting, dat de inhoud van het verdrag in ver-legenheid en druk zou zijn geboren en dat daarin een exceptie zou kunnen liggen om zich thans daaraan te ont-trekken, miskent den gedachtengang, die aan het verdrag en het Nederlandsch standpunt ten grondslag ligt. Er is geen reden om nu niet uit de feiten de consequentie te trekken, die een jaar geleden zou zijn aanvaard."

Tk constateer, Mijnheer de Voorzitter, dat het standpunt der Regeering dus niet geïdentificeerd kan worden met dat der ,,angst-internationalisten",

waarvan ons geacht

medelid dr. Nolens gisteren sprak. De Minister heeft het als goed tacticus versmaad, tegenover leden dezer Kamer het angst-argument te gebruiken; hij zelf heeft in vrijheid gehandeld en hij vraagt de Kamer hetzelfde te doen. Ik ben den Minister dankbaar voor dat fiere woord. Ik moet echter op gezag van dr. Nolens aannemen — ik zelf was in die dagen nog geen lid van de Kamer en van elders is mij de eerste periode van angst-internationalisme niet bekend — dat er in 1920 Kamerleden waren, die toen bereid waren het tractaat met alle daaraan verbonden en door hen grif erkende nadeelen te aanvaarden, niet omdat zij de Belgische eischen rechtmatig en gegrond achtten, maar omdat zij de gevraagde economische concessies wenschten te doen om erger te voor-komen, om daarmede de annexatie van stukken Nederlandsch grondgebied af te koopen. Ik laat geheel in het midden, of deze vrees-voor-eigen in 1919 inderdaad reden van bestaan heeft gehad. Ik voor mij voelde mij ook in die dagen vrij gerust, omdat het Nederlandsche standpunt onaantastbaar was en degenen, die onze belangen verdedigden, volkomen berekend waren voor hun taak. Doch aangenomen, dat die gevaren er wèl waren, dan is het vasthouden aan de toen gedane concessies naar mijn meening psychologisch alleen te verklaren als men aanneemt, dat zij, die in 1919 geïntimideerd werden, thans behoefte gevoelen, die vreesgevoelens uit te bannen door te doen alsof zij thans — nu elk vermoeden van intimidatie afwezig is — nog precies zoo het tractaat beoordeelen als in 1919. Mijnheer de Voorzitter I Ik kan mij niet onttrekken aan den indruk, dat het vasthouden aan den grondslag der onderhande-lingen van 1919 dienst moet doen om voor een vroeger aan-wezige kleinmoedigheid een alibi te zoeken, ten einde aan de buitenwereld te toonen, dat men in 1919 niet onder den invloed yan vreesaanjaging heeft gehandeld. Wordt deze mentaliteit echter ontkend — en fk meen dat velen der voorstanders van het tractaat werkelijk overtuigd zijn, I dat sinds 1919 in hun waardeering omtrent de omstandigheden geen wijziging is gekomen — wordt dus de aanvankelijke over-eenstemming, die in 1920 tusschen de Belgische en Nederland-sche Regeeringen werd bereikt, niet toegeschreven aan de min of meer onzuivere motieven, waaraan wij thans zijn ontgroeid, welnu, dan is langs dezen weg opnieuw voor het Parlement de vrijheid geboren om het verdrag te beoordeelen volgens zijn merites. Wat zich in 1919 rondom de revisie van het verdrag van 1839 heeft afgespeeld, speelt dan geen rol meer. Immers toen, gelijk thans, stond de Nederlandsche Regeering volkomen vrij in de keuze der objecten, die zij prijs gaf: zij handelde zonder druk. Mijnheer de Voorzitter! Het lijkt mij voor het Parlement niet mogelijk afstand te doen van een vrijheid met betrekking tot de ratificatie van dat tractaat, die de Regeering heeft genoten bij het sluiten er van. Wanneer in 1919/1920 de Regeering uit welbegrepen lands-belang, alle omstandigheden in aanmerking nemende, geen vrijheid vond om dit verdrag te weigeren, dan zou ik het aan-nemelijk, zoo niet noodzakelijk geacht hebben, dat de Volks-vertegenwoordiging zich in gelijke mate door die zelfde omstan-digheden gebonden gevoelde. Ik zie daarin een zekere con-gruentie. Doch die zelfde congruentie neem ik waar bij den stand van zaken in Augustus 1924. In volle onbetwistbare vrijheid gaf de Nederlandsche Regee-ring welwillend gehoor aan het Belgisch verzoek, om de door België afgebroken onderhandelingen te hervatten. Even vrij of even onvrij als onze Regeering verleden jaar was om het tractaat te sluiten, even vrij of even onvrij is het Parlement thans tegenover het voorstel tot ratificatie. Ik kan mij voorstellen, Mijnheer de Voorzitter, dat uit de ge-schiedenis der totstandkoming van een tractaat argumenten te putten zijn, die de aansprakelijkheid der Regeering ten aanzien van een tractaat als het onderhavige voor een groot deel afwen-telen op het Parlement en zelfs op het Nederlandsche volk in zijn geheel. Wanneer de Regeering — om een voorbeeld te noemen — in 1919 en daarvóór contact had gezocht met de organen van be-langhebbende groepen — Kamers van Koophandel b.v. — en wanneer de adviezen door de Regeering zouden zijn opgevolgd, ja, dan kan ik mij indenken, dat de Regeering zich te recht zou beklagen over de gewijzigde mentaliteit. En verder: als de Regeering in 1919 en 1920 de Kamer steeds volledig op de hoogte heeft gehouden van den loop der zaken — hetgeen is geschied — en de publicatie van het verdrag zelf en de behandeling in het Belgisch Parlement niet de geringste invloed zou hebben gehad op de stemming van het Parlement, als die veronderstellingen opgaan, dan kan inderdaad een zekere mede-verantwoordelijkheid niet worden ontkend. Ik zou in dit verband de uitlatingen in de pers, dateerend uit die dagen, liever buiten beschouwing laten. Met alle eerbied voor die pers, de Regeering heeft den wil van het Nederlandsche volk slechts door middel van de gekozen Volksvertegenwoordiging te leeren kennen. Ik weet niet, of in 1919/20 sommige leden dezer Kamer zich reeds hebben vastgelegd. Ik herhaal, ik weet het niet. De heer Vliegen heeft gevraagd, of de Commissie voor de Bui-tenlandsche Aangelegenheden in deze zaken is gekend. Daaruit meen ik te mogen opmaken, dat die heeren zich in dien tijd eenigszins hebben vastgepraat. Intusschen hebben sinds 1920 hier te lande tot tweemaal toe nieuwe verkiezingen plaats gehad, nl. in 1922 en 1925, het aspect der Kamer is in den loop der jaren geheel veranderd. Juist deze verandering in de samenstelling der Kamer is een der aanlei-dingen geweest, waarop op voorstel van de Commissie van Rap-porteurs besloten werd het ratificatie-ontwerp, waarover reeds een Memorie van Antwoord was uitgebracht, opnieuw in de afdeelingen te doen onderzoeken. Ik vraag mij af, of deze procedure eenigen zin zou gehad heb-ben, wanneer de Kamer van oordeel zou zijn geweest, dat afgescheiden van de argumenten pro en contra — dit tractaat „fatsoerishalve" toch moest worden aangenomen. En dinrover loopt de zaak. Ik spreek immers over de prealabele vraag.

Handelingen der Staten-Generaal. — 1926—1927. — IL,