Vel 135.

497

Tweede Kamer.

35STE ZITTING. — 8 DECEMBER.

2. Staatsbegrooting voor het dienstjaar-187'5.

(Beraadslaging over hoofdstuk V.)

35ste ZITTING.

ZITTING VAN DINGSDAG 8 DECEMBER.

(GEOPEND TEN 11 URE.)

Ingekomen: 1°. berigten van leden, verhinderd de zitting bij te wonen; 2°. adres. — Voortzetting der beraadslaging over de wots-ontwerpen tot vaststelling der Staatsbegrooting voor het dienstjaar 1875. Voort­zetting der beraadslaging over hoofdstuk V (Depar­tement van Binnenlandsche Zaken); algeraeene be­raadslaging

over het lager onderwijs.

Voorzitter: de heer Dullert.

Tegenwoordig, mot den Voorzitter, 71 leden, te weten de heeron: Teding van Berkhout, van Wassenaer van Catwijck, Messchert van Vollenhoven, Insinger, van Rappard, van Houten, Rutgers van Rozenburg, Bredius, Eenting, Rom-bnch, Kuyper, Schimmelpenninck van der Oije, Oldenhuis Gratama, Hingst, Cremers, van Eek, Mirandollo, Gevers Deynoot, Bichon van IJsselmonde, van Loon, do Roo van Aldorwerelt, van don Herch van Heemstede, Brouwer, Sandberg, van Kuyk , Bergsma, Fabius , Blussé, Kerens de Wijlre.van Kerkwijk, Blom, Tak van Poortvliet, Jonck-bloet, Heydenrijck, Wintgens, Fransen van de Putte , Dam, Kappeyne van de Coppollo. Verheijen , de Bieberstein, de Kuiter Zylker, Begram, Lambrecbts, van der Does do Willebois, de Bruyn Kops, Saaymans Vader, Idzorda, Arnoldts, van Harinxma thoe Slooten , Luyben, Kien , van den Heuvel, van Reenen, C. van Nispen tot Sevenaer, van Zinnicq Bergmann, Mees, van Zuijlen van Nyevelt, Borret, Smitz, Nierstrasz, Godefroi, Schepel, Viruly Verbrugge, Smidt, 's.Iacob, Haffmans, van Naamen van Eemnea, van Foreest. de Jong en Wybenga:

en de heeren Ministers van Buitenlandsche Zaken, van Binnenlandsche Zaken, van Marine en van Finantien.

De notulen van het verhandelde in de vorige zitting worden gelezen en goedgekeurd.

De Voorzitter deelt mede dat zijn ingekomen :

1°. een berigt van den heer Schimmelpenninck, dat hij door noodzakelijke bezigheden buiten de residentie, heden do zitting niet kan bijwonen. Dit berigt wordt voor kennisgeving aangenomen.

2°. een adres van J. Bredius, verpleegd in het Ryks-gesticht Ommerschans, houdende klagten over beheer en verpleging. Dit adres zal worden verzonden naar de Commissie voor de Verzoekschriften.

Aan de orde is de voortzetting der beraadslaging over HET WETS-ONTWERP TOT VASTSTELLING VAN HOOFDSTUK V DER STAATSBEGROOTING VOOR 1875 (DEPARTEMENT VAN BINNENLANDSCHE ZAKEN).

De algemeene beraadslaging over het lager ondervnjs wordt hervat. De heer Kappeyne van de Coppello : Mijnheer de Voorzitter , het doet mij leed dat ik gisteren niet vroeger in de Vergadering kon verschijnen om mij mede te plaatsen onder het gehoor van den heer Messchert van Vollenhoven; niet enkel thans om het belang dat ik altijd in zijne adviesen stel, maar vooral omdat ik nader vernam, dat hij meer be­paaldelijk zijne rede tegen mij had gerigt Ik kon daarop niet zijn voorbereid. Gaarne had ik bij de algemeene beschouwingen gezien dat een van de woord­voerders van hen die zicti anti-revolutionairen plegen te noemen, in het debat ware gekomen; en na don geachten afgeviiardigdon uit Arnhem gehoord te hebben, had ik daarop eenigzins gerekend. Maar neen, het debat werd gesloten en nu bestond er voor mij geene enkele reden om te veronderstellen dat men ons daarin weder zou willen terugvoeren. Ik ben dus in een eenigzins moeijelijken toestand gebragt: ik wil den geachten spreker niet elk wederwoord weigeren, en toch kan ik hem niet antwoorden dan naar de aanteekeningen van anderen , en mag ik niet afwijken van het onderwerp dat thans aan de orde is en moet mij bepalen tot het lager onderwijs. Intusschen schijnt hetgeen zijne verontwaardiging heeft opgewekt voornamelijk geweest to zijn dit, dat ik van de horvorming van het lager onderwijs sprekende, school-pligt op den eindpaal geschreven zag. Hij is daardoor zeer warm geworden naar het schijnt, en heeft zich verheven in eene rethorische spheer, te hoog voor mijn loggen geest om hem er in te volgen. Hij heeft mij zelfs — spreken de berigten waarheid — afgeschilderd als eon republikein en wel van eene zeer reactionaire soort. Ik zou in Neder­land weder willon invoeren de instellingen van do Spar-taai.sche republiok. Het zou zijn doodonschuldig. Ik ken de verordeningen van onderscheidene moderne constitutio­nele landen. Ik kon echtor niet de wet op het lager ondor-wijs voor Sparta. Ken ding allleen kan ik den geachten sprtker verzekeren. Ik heb onze jeugd to lief om ze te onthalen op Spartaanscho kost. Maar ik zou den geachten spreker een voorstel willen doen : verbannen wy Solon en Lycurgus, Athene en Lacedemonie uit onze debatten, en laten wij ze over aan de opstellen onzer jeugd. Evenzeer heeft die oproeping van onze fiere voorouders, die hun nek niet zouden hebbon willen krommen onder het ijzeren juk van dien leerpligt op mij den indruk ge­maakt van eene tooneolvertooning, van ecu opera-choor, want ik weet niet beter dan dat dio voorouders tegen hun wottigen vorst zijn opgestaan omdat hij hunne privilegiën schond en omdat hij allen , die van de Katholijke kerk waren afgevallen, te vuur en te zwaard wilde verdelgen, maar het staat mij niet voor dat zij in hunne inwendige wet­geving juist zoo zeer het beginsel van individuele vrijheid hebben voorgestaan. Immers , zij hadden eene innige ver­binding van Kerk en Staat, met dat gevolg, dat een on-

Bij blad vau de Nederlaudsche Staats-Gouraut. — 1874—1875. II