Bijlagen.

[34.

2.]

Tweede Kamer.

Voorstel van wet van den heer v Houten, strekkende om overmatigen arheid en verwaarloozing van kinderen tegen te gaan.

[34.

2.]

ANTWOORD op het verslag van bovengenoemd voor-stel

§ 1. Naar aanleiding van het sectieverslag neemt de •ondergeteekendo de vrigheid in eene nota zijn voorstel nader toe te lichten. Hij betreurt het zeer dat de Commissie van Rapporteurs geen zelfstandig advies heeft uitgebragt. Rij de indiening van het voorstel rekende hij op de toepassing van hot herziene Reglement van orde Hij stelde zich voor, dat het rapport der Commissie het debat zou preciseren Was zij van oordeel, dat tegen overmatigen kinderarbeid en schoolverzuim geene wetgevende maatregelen konden of moesten genomen worden , dan zou haar rapport aanleiding geven tot eene beslissing der Kamer over dit beginsel. Wilde zij daarentegen wel wetgevende maatregelen, maar andere dan de voorgestelde, dan zou zij deze hebben ge-formuleerd, en de Kamer zou hebbon kunnen kiezen. In beido gevallen ware dus uitzigt op een praktisch resultaat. De Commissie is dan ook alleen door het aftreden van twee harer leden verhinderd aan haar voornemen, om een zelfstandig rapport uit te brengen, gevolg te geven. De mooijelijkheid om tot een praktisch resultaat te komen , is onder deze omstandigheden vergroot. Toch behoeft de hoop hierop niet te worden opgegegeven , wanneer slechts ieder belangstellende in de Kamer bij het bepalen zijner gedragslijn op den hierdoor ontstanen toestand het oog houdt. Het Verslag maakt den indruk, dat de meerderheid der Kamer wel maatregelen nemen wil om het aangewezen kwaad te keeren: maar tevens blijkt er uit, dat die meer-derheid zeer verdeeld is over de grenzen, tot welke de te nemen maatregelen zich moeten uitstrekken. In dezen stand van zaken is de vrees geregtvaardigd, dat zij, die in beginsel tegenstanders van eiken maatregel zijn, ook al is hun aantal gering, in staat zullen wezen om hunne zienswijze te doen zegevieren. Alleen door het gemeenschappelijk doel voor oogen te houden en over de te kiezen middelen te trachten tot overeenstemming te gera-ken, kunnen de voorstanders van wettelijke maatregelen dit ongewenscht resultaat vermijden. Voor zijn aandeel zal de ondergeteekendo hiertoe mede-werken. Vooreerst zal hij oen door velen gedeeld en niet ongegrond bezwaar wegnemen , door ook voor ligte huisse-lijke en persoonlijke diensten en ligten veldarbeid van geregeld schoolgaande kindoren eene uitzondering op het in art. 1 van het ontwerp vervatte beginsel toe te laten. Ten andere verklaart hij uitdrukkelijk zich bij vraagstukken over me; r of minder geene partij te zullen stellen. De ondergeteekendo is bij bet formuleren van zijn voorstel vooral bevreesd geweest om te ver te gaan. De voorstander van het meerdere kan, zoo eene poging om het door hem gewenschte te verkrijgen mislukt, voorloopig met het mindere genoegen nemen. Zoodra de gunstige werking van wettelijke maatregelen op dit gebied zal zijn gebleken , kunnen later dio maat-regelen gemakkelijk worden aangevuld en uitgebreid. De ondergeteekende hoopt dan ook , dat dio medeleden welke het in beginsel met hom eens zijn, maar verder strekkende maatregelen wenscholijk of verkieselijk achten, zich ook hunnerzijds verpligt mogen achten om hunno denkbeelden te formuleren en do Kamer tot hot doen eener keuze in staat te stellen. Bij mogelijke verwerping van do vorst strekkende voorstellen zal dan nog kans zijn, dat voor de minder ingrijpende oeno meerderheid wordt ver-kregen. § 2. Eenige leden haddon eene wet als de tegenwoordige liever van de Regering zien uitgaan. De ondergeteekende sluit zich geheel bij hen aan. Maar do Regering heeft uitdrukkelijk verklaard , dat van haar zoodanige voordragt niet te wachten was. Er was dus keuze tusschen initiatief of onbepaald uitstel. De ondergeteekende gaat van de veronderstelling uit, dat do leden , wier gevoelen in het Verslag is uitgedrukt, eene voordragt van de Regering gewenscht hadden, ten einde die te kunnen aannemen. En hij meent dan to mogen

hopen , dat de in het Verslag voorkomende verwijzing naar de discussie van 22 November des vorigen jaars hen er mede moge hobben verzoend, dat deze voor-dragt van een lid dor Kamer is uitgegaan. Hierbij worde bovendien niet uit het oog verloren , dat het hier een reeds jaren aanhangig onderworp geldt, en dat de heer THORBECKE den voorsteller reeds in de discussie van 23 November 1871 als het ware in gebreke had gesteld om een voorstel te ontwerpen. Op den aandrang van don ondergeteekende word toen door dozen Minister geantwoord: »Wanneer een lid d»r Kamer aandringt op wettelijke regeling van eenig onderwerp, en zegt dat hij alle gevolgen daarvan heeft berekend, dan is zijne taak eer zelf het initiatief te nemen dan een Minister, die nog aarzelt, tot het nomen van het initiatief aan to moedigen. Hij zal dat veel beter en spoe-diger doen dan het van den Minister te verwachten is." (Bijblad 1871—1872, Tweede Kamer, bladz. 337.) Dezelfde leden haddon gaarne eene meer afdoende toe-lichting en een volledig overzigt van de wotgevin" in vreemde landen omtrent den arbeid van kinderen en den leerpligt ontvangen. Bij het stellen der Memorie van Toelichting heeft de ondergeteekende gemeend zich te mogen en te kunnen be-perken tot eene uiteenzetting der voornaamste argumenteu. Om twee redenen. Vooreerst om de reden ook in het Verslag door andere leden aangevoerd, dat de belang-stellenden omtrent de vreemde wetgevingen do gewenschte inlichtingen in de Belgische Documents en in het rapport der gecommitteerden uit het Schoolverbond kunnen vinden. Maar ten andere is het den ondergeteekende meermalen voorgekomen, dat men veel te veel hecht aan buitonland-sche wetgevingen. Overmatige eerbied voor de veronder-stelde doch ook niet zelden zeer betwi-tbare wijsheid der wetgevers in het buitenland is ten onzent geenszins vreemd. Slechts bij uitzondering moet een overzigt der buiten-landsche wetgeving tot de essentiële veroischten eener goede Memorie van Toelichting gerekend worden. Zoodanige uitzondering bestaat hier niet. Daar toch de toestanden zeer verschillende zijn en in vele gevallen de op dit stuk bestaande wetten slecht gehandhaafd worden, zou de onder-geteekende bij de mededeeling van vreemde wetten ook een betoog hebben moeten voegen, waarom bij zich daaraan niet aansluit. Als een voorbeeld ter opheldering mag de ondergetee-ker.de wijzon op den leerpligt in Pruissen. Blijkbaar zijn vele leden begeerig om ook hier het, volgens de statistieke opgaven, aldaar in de westelijke provinciën bereikte resultaat te verkrijgen, dat genoegzaam niemand van ondorwijs ver-stoken blijft. Maar alvorens zulk een voorbeeld als na-volgenswaardig voor te stellen, behoort men te vragen, of bier ook dezelfde omstandighodon aanwezig zijn , waar-onder do leerpligt aldaar zoo gunstig heeft gowerkt. Die vraaz zou ontkennend moeten beantwoord worden. In Pruissen is do Ioerphgt ingevoerd tijdens het Staatsbestuur in de beste overeenstemming was met de geostelijken van alle kerkgenootschappen, aan dezen grooten invloed op de Staatsschool gundo en aldaar zijn kerkelijk onderwijs liet geven. Alleen door de krach:ige medewerking dor geeste-lijken is in Pruissen bet gunstige resultaat verkregen. Meent men op zoodanige medewerking ook bier to kunnen rekenen , waar de neutraliteit der gemeenteschool aan de invloed-rijkste kerkelijke partijen eon doorn in het oog is?

§ 3. Het doel van het voorstel on het standpunt, van hetwelk do voorsteller is uitgegaan, zijn in de toelichting niet duidelijk genoeg geweest om misvatting uit te sluiten. Het blijkt hier en daar uit het Verslag, dat men het houdt voor een gevolg van eene opwelling van meewarig-heid met de geëxploiteerde kinderen, wier treurig lot onder anderen uit het verslag van het Schoolverbond zoo overvloedig blijkt. Natuurlijk heeft de overweging van de op dit gebied bestaande misbruiken, die bijna wel den naam verdienen van misdaden, mede op den voorsteller gewerkt. Maar niet die overweging alleen heeft het voorstel doen geboren wordon. Ook de ondergeteekende behoort niet tot hen. die, iets verkeerds in de maatschappij ziende, maar dadelijk om eene wet roepen. Wel degelijk is eene langdurige en koele boschouwing van het maatschappelijke organisme en van de taak der wetgeving voorafgegaan. Steunende op de verkregono konnis van de maatschappij, wenscht de ondergeteekende door de voorgestelde regeling

Bijblad van de Nederlandsche Staats-courant. — 1873—1874.

I