B|)lagen.

[34.

1.]

Tweede Kamer. BIZ. I

Voorstel van wet van den heer v. Houten, strekkende oin overinatigen arbeid en verwaarloozing vau kinderen tegen te gaan.

[3*.

1.]

VERSLAG der Commissie van Rapporteurs voor het voorstel van tvtt. van den heer mr. S. van Houten, strekkende om overmatigen arbeid en verwaarloozing van kinderen tegen te gaan.

[De vroegere stukken zijn gedrukt onder n*. 113 der zitting 1872—i873.]

§ 1. Bij de overweging in de afdeelingen der Kamer van het door den heer VAN HOUTEN ingediende wetsvoorstel, strekkende tot het tegengaan van overmatigen arbeid van kinderen en van hunne verwaarloozing door schoolverzuim , deed men algemeen hulde aan de goede en menschlievonde bedoelingen des geachten voorstellers Ook voor zoover men met het voorstel, zoo als het daar ligt, niet was ingenomen, vorheugde men zich, dat het was ingediend. Het kon aanleiding geven tot opzettelijke behandeling in de Kamer van een hoogst gewigtig maatschappelijk vraag-stuk, hetwelk tot nu toe slechts ter loops, vooral bij do beraadslagingen over de Staatsbegrooting, is aangeroerd. De vraag rees echter al dadelijk, of op een onderwerp als het tegenwoordige, dat zoo diep ingrijpt in velerlei belangen en in hot maatschappelijk leven van een groot deel der bevolking, het regt van initiatief met vrucht kan worden toegepast. Is het daarvoor niet te veel omvattend on is oene goode regeling hier te lande wel genoegzaam voorbereid? Men bezit, ja, het uitvoerig rapport der in 1863 van Staatswege benoemde commissie; maar deze heeft ?ich moeten beperken tot het onderzoek naar den toestand der M fabrieken arbeidende kinderen, terwijl het voorstel veel verder gaat en, behoudens eene bepaalde uitzondering, het in dienst nemen van kinderen beneden de twaalf jaron in volstrekten zin, dus ook voor veldarbeid en huiselijke verrigtingen, verbiedt. Het in 1872 in het licht versche-nen rapport van het Nederlandsch Schoolverbond heeft iusgelijks enkel betrekking tot het onderwijs der kinderen, die in of voor fabrieken arbeiden. Nu kan wel de wet-gevin^ van andere landen, waar men ons in de regeling vau den arbeid van kinderen of in maatregelen tot het te keer gaan van schoolverzuim is voorgegaan, hier eeniger-mate tot rigtsnoer strekken. Maar daarbij moeten dan toch de in ons vaderland geldende omstandigheden in aan-merking worden genomen. In de bedoelde wetten heerseht onderling groot verschil. Het gedane voorstel komt met geen daarvan volkomen overeen. Het gaat in sommige opzigten verder, in andere niet zoo ver. De heer VAN HOUTEN beperkt zich bijv. tot de zorg voor de kinderen beneden de 12 jaren. Elders neemt de wetgever ook kin-deren of jongelieden van later leeftyd onder zijne hoede of heeft hij verbodsbepalingen tegon fabriekarbeid door vrouwen in het leven geroepen. Heeft do voorsteller zich van dergelyke voorschriften onthouden, omdat hij die voor Nederland minder noodzakelijk rekende, of dacht hij daar-aan, toen hij in zijne Memorie van Toelichting schreef, dat het ontwerp niet alles bevat wat gewonscht is en dat het zich bepaalt tot hetgeen thans bereikbaar geacht wordt? Te vergeefs zoekt men in do bedoelde memorie naar antwoord op deze vragen.

Er waren leden, die ook daarom eoiie wet als de tegen-woordige liever van de Regering hadden zien uitgaan, omdat men dan op eene meer afdoende toelichting daarvan had kunnen aandringen en inzonderheid een volle lig over-zigt verlangen van de wetgeving in vreemde landen ome tront den arbeid van kinderen en den leerpligt. Men deed daartegen opmerken, dat voor de booordeeling van het tegenwoordig voorshd zulk een overzigt niet volstrekt ver-oischt wordt, daar men onder de parlementaire stukken van de Belgische Kamer van vertegenwoordigers een met zorg bewerkt Verslag van dien aard vindt, waarop ook i reeds in de zitting der Kamer van den 22sten November 11. | de aandacht gevestigd werd. Het bedoelde verslag draagt I tot opschrift: Documents re'latifs au travait des enfants et j des femmes dans les manufaetures, les mines etc. Etat de la qwstion en Betgique et a l'e'tranger. Het is wel reeds van 1871 gedagteekend, doch wat sedert in sommige landen, bijv. Frankrijk on Denemarken, op dit gebied is verordend , kun gemakkelijk uit andere bronnen worden aangevuld. Overigens kan men er den heer VAN HOUTEN geen verwijt van maken, dat hij zelf handelend is opgetreden en niet voorstellen der Regering tot bescherming van het kind tegen de zucht der industriëlen en werkgevers naar gocd-konpon arbeid heeft afgewacht. Hij doet te regt uitkomen, dat de Regering zich daartoe ongeneigd heeft getoond, en doelt daarbij blijkbaar op het verhandelde in de reeds aangehaalde zitting der Kamer van 22 November 11. Daar-tegen deden sommigen gelden, dat do Minister van Bin-nenlandscho Zaken in de bedoelde zitting zich geenszins onvoorwaardelijk tegen alle tusschenkomst des wetgevers in deze aangelegenheid heeft verklaard. Hij heeft te kennen gegeven, dat het in hot loven roepen van het door de Staatscommissie voorgesteld middel van her-stel , de invoering van den leerpligt, in ons land niet zeer spoedig te verwachten is. In dat opzigt staat hij zoo ver niet af van den voorsteller, die zelf erkent voor de invooring van leerpligt, als algemeenen voor het geheele land geldenden maatregel, terug te deinzen. En wat het togengaan van den fabriekarbeid van kinderen door ver-bodsbepalingen betreft, heeft de Minister verklaard daarvan voor alsnog teruggehouden te worden, alleen uit vrees , dat het aangeprezen middel van genezing in zijne gevol-gon welligt erger zou zijn dan de kwaal zelve.

§ 2. Maar is het dan toch niet, ook in ons land , vol-strokt noodzakelijk , dat de arbeid van kinderen , vooral ook in fabrieken, door wettelyke maatregelen zooveel mogelijk worde belet ? Eenige leden toonden zich van die noodzakelijkheid niet overtuigd , achtten de zaak uit meer dan een oogpunt bedenkelijk en betwijfelden of het hier wel een onderwerp geldt, waartoe de Staatszorg zich be-hoort uit te strekken. Do Staat, zeidon zij, is geen voor allen wakende voorzienigheid. Het behoort tot zyne roe-ping de meest mogelijke vrijheid , ook vrijheid van arbeid , te doen heerschen. De hier in aanmerking komende maat-regelen zijn met dat beginsel in stryd en kunnen als een stap op den gevaarlijken weg der organisatie van den arbeid worden beschouwd. Zoo ligt laat men zich, wan-noer men kinderen ziet arbeiden , door een gevoel van meê-wari»heid wegslopen, maar verliest dan ook wel eens uit het oog, dat beperking van dien arbeid door den wet-govor niet denkbaar is , zonder in te grijpen in het natuur-lijk regt der ouders; zonder eeno verkorting der ouderlijke magt, die ongeoorloofd kan worden geacht. Die beden-king klemt te meer, omdat de ouders in de meeste ge-valfen geenszins uit vrye verkiezing hunue minderjarige kinderen voor eonigon win.^tgevenden arbeid bestemmen, maar daartoe gedwongen worden door de behoeften van het gezin, Zij kunnen de daarin gelegen tegemoetkoming in de kosten van het huishouden , hoe gering die ook in het oog van den meervermogende schijnen moge, niet missend Is het billijk en regtvaardig aan de huisgezinnen der min gegoede burgers dien steun te ontnemen , en dat in een tijdsgewricht als het tegenwoordige, nu de prijs der eerste levensbehoeften gestadig stijgt on do werkloonen niet in gelijko evenredigheid toenemen? Het wegvallen van een middel van levensonderhoud voor arme gezinnen mag, volgens den heer VAN HOUTEN , geen bezwaar tegen zijn voorstel zijn, want, zegt hij in zijne Memorie van Toelichting, waar de gezondheid en de opleiding van kinderen voor de vervulling van de allereerste levens-behoeften zouden moeten worden opgeofferd, schijnt de tusschenkomst der armenzorg niet misplaatst te zijn. Ligt in dit gezegde niet een nieuw bew s, dat mei opzigt tot eene aangelegenheid als do tegenwoordige, het kwaad niet te keeren is , zonder in oen ander van weinig rain-der bedenkelijkon aard te vervallen ? Beperking der Staats-armenzorg is steeds als oeue voor het welzijn der maat-schappij en de onafhankelijkheid en zedelijkheid der gezinnen hoogst wenschclijke zaak beschouwd. Volgens het denk-

Bijblad van de Nederlandsche Staats-courant. — 1873—1874.