Vel 14.

49

Tweede Kamer.

7DE ZITTING. — 23 SEPTEMBER.

1.

Ontvoerf-adret van antwoord op de Troonrede.

(Algemeen e strekking.)

7da FITTING.

ZITTING VAN DINGSDAG 23 SEPTEMBER.

(GEOPEND TEN 11 URE.)

Ingekomen: 1°. missivo van het hoofdbestuur der

Nederlandsche Vereeniging tot afschaffing van den ' sterken drank; 2°. wets-ontwerpen. — Voortzetting en einde der beraadslaging over do algemeene strekking van het ontwerp-adres van antwoord op de Troonrede. — Aanneming der paragraphen 1—5;

aanvang der beraadslaging ovor paragraaph 6.

Voorzitter: de heer Dullert.

Tegenwoordig, met den Voorzitter, 70 ledon, te weten de heeren: Oldenhuis Gratama, Schimmelpenninck van der Oije, Bredius, van Akerlaken,, van den Berch van Hoemstede, Jonckbloet, van Zuijlen van Nyevelt, van Loon, Begram, Hingst, Lambrechts, de Jong, Messchert van Vollenhoven, Tak, Rombach, Kerens de Wijlre, van Harinxma thoe Slooten , Heydenrijck, Lenting, van Baar, van den Heuvel, van Reenen, Gevers Deynoot, de Ruiter Zylker, Teding van Berkhout, Borret, Rutgers van Rozenburg, van Wassenaer van Catwyck, Westerhoff, Godefroi, Brouwer, van Lynden van Sandenburg, Sandberg, van Kuyk, C. van Nispen tot Sevenaer, Bergsma, Moens, Blussé, Mirandolle, van der Does de Willebois, Arnoldts, Kien, Blom, Wintgens, Saaymans Vader, van Zinnicq Bergmann, van Hardenbroek van Lookhorst, Kappeyne van de Coppollo, Mackay, de Bieberstein, Luyben, Nierstrasz, Stieltjes, Viruly Ver-brugge, van Kerkwijk, 's Jacob, van Naamen van Eemnes, Fabius, Smidt, van Houten, dé Brauw, de Bruyn Kops, Schimmelpenninck, de Roo van Alderwerelt, Haffmans, van Eek, Idzerda, Wybenga en Cremerg;

en al de heeren Ministers.

De notulen van het verhandelde in de vorigo zitting worden gelezen en goedgekeurd.

De Voorzitter deelt mede, dat is ingekomen eono missive van hot hoofdbestuur der Nederlandscho Voreeni-ging tot afschaffing van den sterken drank, ten geleide van exemplaren van hot Verslag over 1872.

Dezj missive wordt voor kennisgeving aangenomen , tcrwyl hot Verslag aan de leden is rondgedeeld.

Aan de orde is de voortzetting dor beraadslaging over de algemeeno strekking van het ONTWERP-ADRES VAN ANT-WOORD OP DE TROONREDE.

De hoer van Loon: Mijnheer de Voorzitter, ik zal slechts enkele opmerkingen ten beste geven betrokkelyk hetgeen de geachte algevaardigde uit do hofstad in zijno sierlijke rede gisteren omtrent de anti-revolutionaire party in het algemeen heeft gezegd. Het is volstrekt mijn plan niet om de handschoen op te nemen voor dr. Bronsveld in het cartel dat de heer Wintgens meent dat hem als het ware in het aangehaalde stuk werd geadresseerd. Ik geloof toch, dat de heer Bronsveld volkomen in staat is, zijn eigen gevechten uit te strijden, en indien hij het noodig oordeelt, zijne welversneden pen gebruiken zal om teant-woorden. Ik wil evenmin in het algemeen beamen ofregt-vaardigen sommige triumfkreten, die zijn opgegaan uit het anti-revolutionaire kamp bij eenige niet verwachte zegepralen; en ik stel het op prijs dat de heer Wintgens ons ook volkomen regt doet wedervaren wanneer hij zegt dat die triumf kreten volstrekt niets te maken hebben met do leden van deze Kamer, en dat hetgeen gesproken is door sommige orgaDen onzer party het allerminst is inge-blazen door hen, die misschien door hunne verkiezing tot lid dezer Kamer aanleiding hebben gegeven tot die zege-kreten. Overigens geloof ik niet dat iemand van mij verwacht dat ik de geheele rede van den heer Wint-gens, waarin ook veel voorkomt dat ik beamen kan, beantwoorden zal. Die rede heeft op mij don indruk ge-maakt van langs een grooten omweg te komen tot het eigenlijke punt, het bestrijden van hetgeen de geachte af-govaardigde noemt eene kerkelijke partij in deze Kamer. Die kerkelijke partij is, meen ik, het doelwit van don strijd door den heer Wintgens gevoerd. Daarbij heeft de geachte spreker — zeker om die partij voor het vervolg schade-loos te maken — een humor gebezigd, die ons dwingen zou om misschien tegen onzen wil uit to roepen: nou9 avons ri, nous voila dósarmés. Of dit echter geheel en al het geval zal zijn moot de toekomst leeren. De heer Wintgens neemt het kwalijk dat er eeno zoo-danige kerkelijke partij in do Kamer, ja in het land bestaat en zich op staatkundig gebied waagt. Hij meent waarschyn-lijk dat die partij in de kerk moet blijven en daar haren strijd moet uitstrijden. Vooral echter mag zich die party niet zelfstandig op politiek terrein begeven; ja, ik meen dat er in do rode die wij gisteron het voorrogt haddon te hooren, opgesloten ligt min of meer bedekt dat de anti-revolutionaire partij eigenlijk moest wezen — misschien is — naar het oordeel van den spreker: eeno fractie van de gemodereerde conservative partij, die verkeerd heeft gedaan zich af te scheiden van hare moeder, en die zoo spoedig mogelijk tot dio moeder moet terugkeeren ten einde met haar gemeene zaak te maken. De heer Wintgens zogt, indien ik hem wel begrepen heb, gedurende 25 jaren hier èn als lid van de Kamer, èn als Minisier de politeke debatten te hebben bijgewoond, maar de stellingen dier partij nog niet verstaan te hebben. Nu is het zeer duidelijk dat wanneer men het voorregt gehad hoeft in deze Kamer mannen te hooren als Groen, als Elout, als Mackay, als van der Brugghen , als Willem van Lynden, dio hier hunne beginselen hebben uiteengezet, en daarbij heelt gevolgd, gelijk ons gisteren weder bleek, de litteratuur, die van die party is uitgegaan , en als men dan nog niet heeft kunnen onderscheiden wat eigenlijk het kenmerk is van de anti-revolutionairen, dat het dan on-mogelyk is voor do veel minder begaafde organen dier

Bijblad van de Nederlandsche Staats-Courant. — 1S73—1874. II.