Vel 79.

285

Eerste Kamer.

82STE ZITTING. — 1 JULIJ.

84.

Voontel van wel van den heer van Houten betreffende overmatigen arbeid enz. van kinderen.

32ste ZITTING,

ZITTING VAN WOENSDAG 1 JULIJ

(GEOPEND TEN 11 ORE.)

Voortzetting van de behandeling en aanneming van het wets-ontwerp strekkende om overmatigen arbeid en verwaarloozing van kinderen tegen te gaan. —

Beraadslaging over en aanneming van verschillende wets-ontwerpen. — Comité-generaal. — Benoeming van een klerk ter griffie en aanneming der huis-hondelijke begrooting voor 1875.

Voorzitter: de heer Tan Bylandt.

Tegenwoordig, met den Voorzitter, 36 leden, te weten de heeren:

van Swinderen, Schot, Fransen van de Putte, Dumbar, Coenen, Rahusen, Verschoor, Kuchner , van Aylva van Pallandt, Smit, Duymaer van Twist, do Raadt, van Eysinga, Tonckcns, de Vos van Steenwijk, Hartsen, van Rhemen van Rhemenshuizen, van Sasse van Ysselt, van Rijcke-voreel, Prins, Thooft, Cremers, Stork, Hengst, Nobel, Viruly, Vos de Wael. Huydecoper van Maarsseveen, Hein, Beerenbroek, de Villers de Pité, Borsius, van Goltstein, Pincoffs en van Vollenhoven;

en de heeren Ministers van Binnenlandsche Zaken, van Oorlog en van Finantien.

Arm de orde is de voortzetting der beraadslaging over het VOORSTEL VAN WET VAN DEN HEER MR. S. VAN HOUTEN, STREKKENDE OM OVERMATIGEN AUDEID EN VERWAARLOOZING TAN KINDEREN TEGEN TE GAAN.

De heer Burhner: Overmatigen arbeid en verwaar-loozing, van wien ook, wie zou dat willen ? Ik breng dan ook gaarne een woord van hulde aan den heer van Houten, die met zijn warm harl beeft getracht maatregelen tot stand te brengen, welke dien overmatigen arbeid kun-nen weren. Intussclien komt het mij voor dat zijn warm hart zijn huofd niet koud heeft gelaten, want het wets-ontwerp dat aan onze beraadslaging is onderworpen, — het is reeds door verschillende leden in het midden gebragt — is gebrekkig en voor uitvoering ongeschikt, zoo zelfs, dat inde andere Kamer is beweerd, dat, mogt dit wets-ontwerp de goedkeuring dezer Vergadering verwerven, de Minister van Binnenlandsche Zaken in groote moeijelijk heden zou worden gewikkeld, daar hy om conflicten te vermijden dit aan den Koning ter bekrachtiging zou hebben aan te bie-den, terwijl daarmede de zaak zelve volstrekt niet zou worden bevorderd. Matige arbeid behoort te worden toege-laten. Niemand zal zelfs voor een kind onder de 12 jaren matigen arbeid schadelijk achten. Tracht men niet in de betere standen door gymnastische oefeningen de spieren in beweging te brengen ? En waarom zou dan eenige arbeid reeds aanvangende op lOjarigen leeftijd schadelijk geacht kunnen worden ? De voorsteller van het ontwerp heeft den twaalfjarigen leeftijd aangenomen , zoo h\j beweerde, op historische gronden; maar hij is veel te scherpzinnig om niet te weten dat historische grond in deze in het geheel geen grond is. Bij de behandeling van het aanhangige wetsvoorstel in de Tweede Kamer is er gesproken van eene schets die later tot eene deugdelijke beworking der stof zon kunnen leiden, maar dat is het niet, want daarin zouden a'le punten moeten voorkomen die behooren geregeld en uit-gewerkt te worden. In dit ontwerp daarentegen zijn een paar punten even aangeroerd , die alleen betrekking hebben op den arbeid van kinderen. Van het waken tegen ver-waarloozing is geen sprake. In de andore Kamer — om nu bij dit punt even stil te staan — is reeds aangetoond dat, wanneer men een maat-staf wil nemen, men aan de natuur moet vragen welk uit-gangspunt men nemen zal. De natuurlijke uitgangspunten zijn de ontwikkelingstijdperken in den kinderlijken leeftijd, zoodat alle arbeid tot op negen-a tienjarigen leeftijd vol-strekt zou moeten zijn verboden, en die van tien tot vijf-tien a zestien zon moeten geregeld worden. De aanneming van dien leeftijd van twaalf jaar is geheel willekeurig en in geen enkel geval aan te nemen , want na twaalf jaren zou dan wel arbeid, zelfs overmatige arbeid kunnen ge-vorderd worden. Als men die zaak au fond zou willen be-handelen, dan moet men volgens het verslag der Staats-coni missie van een geheel ander punt uitgaan. Zoo lezen wij in het verslag der Staatscommissie, bladz 19 en '

20, dat de noodzakelijke voorwaarde tot verbetering van don physieken toestand van het kind — en hiermede zal men toch moeten beginnen — is verbetering van zijnen stoffelijken toestand, betere voeding en betere huisvesting; en om deze voorwaarden te vervullen is het noodig dat het kind loon verdient. Betere voeding 1 Betere huisvesting! De quaestie wordt dus eigenlijk teruggebragt tot de eerste levensvoorwaarden , waaraan men zal behooren te trachten te voldoen, zoo men in zijn pogen tegen verwaarloozing van het kind wil slagen. Nu heeft de voorsteller van het wets-ontwerp dit punt in de andere Kamer even aangeroerd, en gezegd dat. wan-neer de kinneren onder de twaalf jaar niet meer arbeiden, de loeren vim de volwaseen arbeiders zullen stijgen. Mijnheer de Voorzitter, ik geloof niet dat dit eene ern-stige bewering geweest is, maar dat deze woorden veeleer den voorsteller in het vuur van het debat ontsnapt zijn. Hij weet toch ook wel dat kinderarbeid en werk van volwassenen van elkander onderscheiden is, en dat in geen

De notulen van het verhandelde in de vorige zitting worden gelezen en goedgekeurd.

Bijblad van de Nederlandsche Staats-Courant. — 1873—1874. I.