Eerste Kamer der Staten-Generaal

Zitting 1976-1977 Nr. 73a

14 266

Wijziging van de Wet van 16 juli 1958, Stb. 352, tot nadere regeling van de wettelijke tijd

NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET EINDVERSLAG Ontvangen 4 maart 1977

Het stemt mij tot voldoening te kunnen vaststellen dat ook bij de Eerste Kamer geen principieel bezwaar bestaat tegen de invoering van de zomer-tijd. De leden van de fractie van de V.V.D. vragen zich af, of het nu absoluut niet mogelijk was geweest de onderhavige wetswijziging uit te stellen tot 1978. Zij wijzen in dit verband op het feit dat het voor Nederlandse reizigers, waaronder talrijke pendelaars in met name Limburg, van en naar Duitsland, moeilijk zal worden om gedurende deze periode «bij de tijd» te blijven. De reistijd naar Duitsland, zo merken deze leden op, wordt (schijnbaar) met een uur bekort en de terugreis lijkt een uur langer te duren. Zoals reeds in de nota naar aanleiding van het verslag is opgemerkt, was het uitstellen van de invoering van zomertijd in eigen land daarom onge-wenst omdat reeds uitgebreid overleg was gevoerd in het kader van de Be-nelux, dat had geleid tot een eensluidend standpunt. Daarnaast hadden te-vens besprekingen plaatsgehad tussen de lid-staten van de EEG en de leden van de CEMT. Deze hebben weliswaar niet geleid tot een besluit de zomer-tijd uiterlijk vanaf 1977 gezamenlijk in te voeren, maar voorde Europese Commissie zijn zij in ieder geval aanleiding geweest te komen met een voor-stel tot harmonisatie van de begin-en einddata van deze zomertijd, althans voorde lid-staten, die in 1977 zomertijd zouden invoeren. De regering achtte het voorts niet verantwoord reeds in Beneluxverband gemaakte afspraken en getroffen voorbereidingen met het oog op het internationale verkeer en vervoer in zo'n laat stadium nog ongedaan te maken. Ik wil benadrukken dat de regering alles in het werk zal stellen, zowel in het overleg binnen de EEG als in het overleg met de leden, verenigd in het CEMT, om in de volgende ja-ren te komen tot het verwezenlijken van een zo uniform mogelijke tijdrege-ling. In het licht van het vorenstaande mag dan ook worden aangenomen dat eventuele last, die het door de leden van de fractie van de V.V.D. bedoel-de reizigersverkeer zal ondervinden, slechts van tijdelijke aard zal zijn. Ove-rigens koester ik de verwachting dat de reizigers van en naar Duitsland bij de tijd kunnen en zullen blijven.

Wat betreft de energiebesparing, die mogelijk uit de invoering van zomer-tijd zal voortvloeien, wijs ik er nogmaals op, dat energiebesparing voor de regering niet het motief is geweest om zomertijd in te voeren. Dat er wellicht toch sprake zal zijn van enige besparing moet dan ook veeleer gezien wor-den als een bijkomstig voordeel, dan als doel op zichzelf. De leden van de frac-tie van de V.V.D. vragen zich af of deze (wellicht zeer geringe) besparing niet geheel en al teniet wordt gedaan door een toenemend autogebruik in de

Eerste Kamer, zitting 1976-1977, 14 266, nr. 73a

1