5

eiser en het schriftelijk verweer van de gedaagde kent, kan gewoonlijk niet beoordeeld worden of een zaak geschikt is voor mondelinge behandeling. Of de zaak ingewikkeld is, komt vaak pas aan het licht na de repliek van de eiser en soms na de dupliek van de gedaagde. Wanneer de eiser bij gelegenheid van een mondelinge behandeling een betrekkelijk ingewikkelde repliek voordraagt, is het zeer de vraag of de gedaagde daarop onmiddellijk zal kunnen antwoorden. Het is dus geenszins zeker dat de procedure door mondelinge behandeling versneld zou worden. Stellig is dit niet het geval wanneer na een poging tot mondelinge behandeling op schriftelijke behandeling zou moeten worden teruggevallen. Voor het overgrote deel der zaken is het bevorderlijk voor een goede proceseconomie, dat partijen hun geschil eerst schriftelijk uiteenzetten. Aan het argument dat partijen bij een mondelinge behande-ling meer gelegenheid krijgen om hun zaak zelf te behandelen, kent de ondergetekende geen doorslaggevend gewicht toe. Het zelf procederen door partijen blijkt in de praktijk gewoonlijk op bezwaren te stuiten. Verreweg de meeste partijen die voor het kantongerecht procederen, zijn niet voldoende georiënteerd om met succes een civiele procedure te kunnen voeren. Dit ligt niet alleen aan de ingewikkeldheid van het burgerlijk pro-cesrecht, doch evenzeer aan de moeilijkheden van het mate-riële privaatrecht, dat partijen niet beheersen. In het algemeen doen partijen er goed aan zich van deskundige bijstand te voor-zien. Bij de beschouwing van de mogelijkheden van een monde-linge behandeling moet er op gelet worden, dat zij per zaak meer tijd van de kantonrechter en van de griffier vergt dan de schriftelijke behandeling. Dit kan er ook gemakkelijk toe leiden, dat de behandeling der verschillende zaken wordt ver-traagd, waardoor dan weer nodeloos beslag wordt gelegd op de tijd van vele aanwezigen. Het gevolg van mondelinge behandeling voor partijen is, dat zij uit hun werk worden gehaald, hetgeen bij arbeiders in loon-dienst loonderving en bij zelfstandigen geldelijk en ander on-gerief betekent. Volgens artikel 57a eerste lid Rv. worden onder de kosten van de verliezende partij begrepen de nood-zakelijke reis-en verblijfkosten van de wederpartij. In een aantal gevallen neemt derhalve het proceskostenrisico toe. Ook moet worden bedacht dat in een aantal gevallen het optreden van de procesvertegenwoordiger geen praktische betekenis heeft. Men denke b.v. aan de directeur van een n.v. met een groot aantal arbeiders of het hoofd van een postorderbedrijf met talrijke klanten. In de meeste gevallen zal daarom een mondelinge behande-ling alleen tot haar recht kunnen komen wanneer de kanton-rechter zich eerst aan de hand van de schriftelijke stukken een overzicht van de zaak heeft kunnen vormen. Gezien het vorenstaande is het niet aannemelijk dat het stelsel van het gewijzigde ontwerp 2395 tot een wezenlijk groter aantal mondelinge behandelingen dan thans zou kunnen leiden. De bestaande artikelen 19 en 19a Rv. bieden reeds voldoende gelegenheid om partijen voor de rechter te doen verschijnen. De kantonrechters maken van deze mogelijkheid reeds gebruik in de gevallen die zich daartoe lenen. Op grond van de hiervoor ontwikkelde beschouwingen is de ondergetekende tot de conclusie gekomen dat het geen aanbe-veling verdient de parlementaire behandeling van het gewij-zigde ontwerp 2395 voort te zetten. De Regering heeft derhalve besloten dat ontwerp in te trekken.

Ad b. Het ontwerp 2395 bevat een aantal bepalingen die niet in noodzakelijk verband staan met de in dat ontwerp voor-ziene procesgang. Een aantal van deze bepalingen is in het hierbijgaande ontwerp van wet opgenomen, nl.: 1. afschaffing van de dubbele regeling van de betrekkelijke bevoegdheid in kantongerechtszaken; 2. uitsluiting van de mogelijkheid om van de bepalingen inzake de betrekkelijke bevoegdheid in kantongerechtszaken af te wijken; 3. afschaffing van artikel 100 Rv., dat het valsheidsincident naar de rechtbank verwijst;

4. bevoegdheid van de kantonrechter om een voorlopige voorziening te treffen. Verder bevat het bijgaande ontwerp van wet een voorstel tot afschaffing van de zegel-en registratierechten op de dagvaar-ding in kantongcrechtszaken. Met betrekking tot de kantongerechtsgemachtigden hand-haaft het ontwerp het bestaande recht. Wel wordt voorgesteld de wettelijke tuchtmaatregelen ten aanzien van kantongerechts-gemachtigden te verscherpen. In verband met deze wijziging bestaat naar het oordeel van de ondergetekende geen behoefte aan een wettelijke regeling zoals die is voorzien in het ontwerp-Praktizijnswet. De Regering heeft daarom besloten om ook dit wetsontwerp in te trekken. In het ontwerp 2395 was de regeling van het Besluit tot vergemakkelijking van de inning van kleine geldvorderingen geïncorporeerd in de gewone kantongcrechtsprocedure. Nu het onderhavige ontwerp van wet geen voorstel bevat tot een ge-wijzigde procesvoering in kantongerechtszaken, moet de vraag beantwoord worden, of een regeling van deze aard moet blijven voortbestaan. Immers, het besluit is een bezettingsregeling en kan als zodanig niet gehandhaafd blijven. De ondergetekende is van oordeel, dat de procedure, neergelegd in het besluit, moet blijven bestaan. Blijkens de praktijk wordt in het meren-deel der gevallen waarin een verzoek tot uitvaardiging van een dwangbevel is gedaan, geen verweer gevoerd. Voor deze ge-vallen is het dwangbevelsysteem een praktische oplossing, om-dat het de schuldeiser ontheft van de verplichting om persoon-lijk of bij gemachtigde op een zitting te verschijnen. Ook wan-neer de zegel-en registratierechten komen te vervallen, is de dwangbevelprocedure goedkoper dan die welke met een dag-vaarding aanvangt. Het besluit wordt in toenemende mate toe-gepast. Ook daaruit kan worden afgeleid dat het in een be-hoefte voorziet. De procedure is echter alleen geschikt voor eenvoudige vorderingen. Daarom wordt zij overeenkomstig de bestaande regeling beperkt tot vorderingen van opeisbare geld-sommen terzake van nakoming van een overeenkomst. In het hierbijgaande ontwerp van wet is de regeling van het Besluit ingevoegd in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvor-dering, omdat zij daar systematisch thuishoort. De belangrijkste materiële wijziging is, dat volgens het ontwerp van wet de veroordeling op de openbare zitting wordt uitgesproken. Vol-gens het besluit heeft het dwangbevel de kracht van een ver-stekvonnis. Wanneer men echter op het wezen der zaak let, is hier geen dwangbevel. Van dwangbevel is sprake, indien van de schuldeiser een bevel uitgaat, dat met executoriale kracht is bekleed. Men zie b.v. het dwangbevel bij de inning van belastingen en van premies van de sociale verzekering. Vol-gens het ontwerp gaat het bevel niet van de schuldeiser uit, doch van de rechter; het heeft betrekking op een contractuele verbintenis tussen een schuldeiser en een schuldenaar. De Hoge Raad besliste bij arrest van 17 mei 1962, N.J. 257, dat de rechtsgang volgens het Besluit tot vergemakkelijking van de inning van kleine geldvorderingen het karakter van een rechts-geding heeft. Daaruit moet dan echter volgen, dat de beslissing in dat rechtsgeding het karakter van een vonnis heeft. Ingevolge artikel 175 van de Grondwet moet de uitspraak van vonissen met open deuren geschieden. Het dwangbevel moet derhalve op een openbare zitting worden uitgesproken. Aldus is in het ontwerp bepaald. De term „dwangbevel" is, zoals mede uit het voorgaande blijkt, minder juist; zij is in het ontwerp vervangen door de uitdrukking: rechterlijk bevel tot betaling. Deze uitdrukking is weliswaar langer, doch heeft het voordeel dat zij de tussen-komst van de rechter tot uitdrukking brengt.

Toelichting op de artikelen

Artikel I

Artikel 97 (oud). Het huidige artikel 97 regelt de betrek-kelijke bevoegheid in kantongerechtszaken, terwijl in artikel 126 de betrekkelijke bevoegdheid in rechtbankzaken is gere